Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
17/1690 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Kortsluiting bij verzoek om voorlopige voorziening. Intrekken na opschorten. Bankgegevens verwijtbaar niet binnen gegeven termijn overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1690 PW, 17/1691 PW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2017, 16/10108 en 17/672 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 24 februari 2017

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)

Datum uitspraak: 28 maart 2017

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S.V. Hendriksen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Verzoeker heeft nadere stukken aan de voorzieningenrechter gezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Hendriksen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker ontving sinds 9 augustus 2006 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Verzoeker heeft tijdens een periodiek gesprek op 31 mei 2016 verklaard regelmatig in Marokko te verblijven. Hiervan heeft hij niet eerder melding gemaakt bij het college. Uit dit gesprek kwam tevens naar voren dat verzoeker een bankrekening en een huis in Marokko bezit, waarvan hij evenmin eerder melding heeft gemaakt. Het college heeft verzoeker bij brief van 7 juli 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 14 juli 2016 met het verzoek tijdens dit gesprek bankrekeningafschriften van alle rekeningen (tevens de Marokkaanse bankrekening) over de periode van 31 mei 2015 tot en met 31 mei 2016, zijn Nederlandse en Marokkaanse paspoort en het aankoopbewijs of ander bewijs waaruit de waarde van het onroerend goed in Marokko blijkt, te overleggen. Verzoeker is zonder zich af te melden niet verschenen op dit gesprek en heeft de gevraagde stukken niet overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 15 juli 2016 (opschortingsbesluit) heeft het college de bijstand met ingang van 14 juli 2016 opgeschort en verzoeker in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door op 19 juli 2016 te verschijnen op een gesprek en de gevraagde gegevens alsnog te verstrekken. Verzoeker is verschenen, maar heeft geen stukken overgelegd en heeft verklaard niet te willen voldoen aan het verzoek nadere gegevens te verstrekken. Tegen het opschortingsbesluit heeft verzoeker geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Bij besluit van 19 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 november 2016 (bestreden besluit), heeft het college op grond van artikel 54, vierde lid van de PW de bijstand met ingang van 14 juli 2016 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet de door het college gevraagde informatie heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker een voorschot wordt betaald.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van een beletsel om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Verzoeker heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de intrekking van de bijstand ingaande 14 juli 2016 in rechte stand kan houden.

4.5.

Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd was tot intrekking van de aan verzoeker verleende bijstand, staat ter beoordeling of verzoeker verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of verzoeker hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover verzoeker niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.6.

De door het college bij het opschortingsbesluit aan verzoeker gevraagde bankafschriften en bewijzen waaruit de waarde van zijn onroerend goed in Marokko blijkt, zijn gegevens die van belang zijn voor de verlening van de bijstand. Vaststaat dat verzoeker deze gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij de gegevens heeft overgelegd die hij kon overleggen. Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft hij bankafschriften alsmede het adres van de woning in Marokko overgelegd.

4.7.

Nog daargelaten dat het, anders dan verzoeker stelt, op de weg van verzoeker ligt om stukken te overleggen waaruit de waarde van het onroerend goed in Marokko blijkt, komt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase of in de beroepsfase bij de rechtbank alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien verzoeker aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die verzoeker redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. Daarin is verzoeker niet geslaagd.

4.8.

De Raad begrijpt de hoger beroepsgrond van verzoeker als volgt. Verzoeker kan het niet tijdig overleggen van de gegevens niet worden verweten. Verzoeker heeft geen kennis van zijn plichten in het kader van de PW, omdat hij onvoldoende is begeleid, terwijl hij volgens de rapportage inburgering van 6 september 2011 op begeleiding was aangewezen. Deze beroepsgrond slaagt niet. De grondslag van het bestreden besluit ziet op het niet tijdig overleggen van de in het opschortingsbesluit genoemde gegevens. Dat appellant die gegevens moest overleggen, heeft het college hem bij brief van 7 juli 2016 en bij het opschortingsbesluit laten weten. Het college heeft appellant er bij het opschortingsbesluit bovendien op gewezen wat het gevolg zou zijn van het niet tijdig overleggen van die gegevens.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J.M.M. van Dalen

UM