Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
17/452 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kortsluiting bij verzoek om voorlopige voorziening. Aanvraag terecht afgewezen op de grond dat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn bestaanskosten heeft voorzien vanaf datum bedrijfsbeëindiging tot melding voor bijstand. Brief dat vanwege ernstige misdraging de bijstand - bij verlenen van bijstand binnen jaar - met 100% wordt verlaagd is geen besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/452 PW, 17/453 PW-VV

Datum uitspraak: 28 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 december 2016, 16/9291 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 11 januari 2017

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. A.C. van Langen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van Langen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker was tot 15 september 2014 werkzaam als zelfstandige. Op 1 februari 2016 heeft verzoeker zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 25 februari 2016 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. Op

9 maart 2016 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden en heeft verzoeker een aanvraag om bijstand ingediend. Tijdens de intakegesprekken heeft verzoeker verklaard dat hij sinds de beëindiging van zijn onderneming is onderhouden door zijn broer en zijn moeder.

1.2.

Bij brief van 5 april 2016 heeft het dagelijks bestuur verzoeker onder meer gevraagd om objectieve, verifieerbare gegevens waaruit blijkt hoe verzoeker sinds de beëindiging van zijn onderneming in zijn levensonderhoud heeft voorzien en om gegevens waaruit blijkt met welke middelen de huur is betaald. Verzoeker heeft hierop een verklaring van zijn broer

[naam broer 1] (T) van 30 april 2016 overgelegd waarin hij stelt verzoeker in totaal € 7.200,- te hebben geleend in een periode van veertien maanden. Voorts heeft verzoeker een ongedateerde verklaring van zijn broer [naam broer 2] (M) overgelegd waarin hij stelt een bedrag van € 4.650,- aan verzoeker te hebben geleend.

1.3.

Bij besluit van 20 april 2016 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van verzoeker afgewezen. Bij datzelfde besluit is aangekondigd dat de bijstand van verzoeker met 100% wordt verlaagd indien hij binnen een jaar alsnog bijstand zal gaan ontvangen, omdat hij zich tijdens het gesprek op 25 februari 2016 zeer ernstig heeft misdragen tegenover een inkomensconsulent.

1.4.

Bij besluit van 21 oktober 2016 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 20 april 2016 ongegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag en niet-ontvankelijk voor zover het bezwaar is gericht tegen de maatregel. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat de aankondiging van de maatregel niet op rechtsgevolg is gericht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De onder 4.2 bedoelde situatie doet zich hier voor en ook overigens bestaan geen beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Afwijzing van de aanvraag

4.4.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dat betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 februari 2016 tot en met 20 april 2016.

4.5.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Het bijstandverlenend orgaan is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie in de periode die voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.6.

Verzoeker heeft, onder verwijzing naar de uitspraken van 15 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3188) en van 10 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3931), betoogd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Hij is in zijn levensonderhoud voorzien door zijn familie en hij heeft verklaringen van zijn broers overgelegd waar dit uit blijkt. Zijn familie heeft hem geld geleend voor de betaling van de huur van € 850,- per maand en de betaling van overige vaste lasten. Voorts ontving hij wekelijks € 30,- tot € 70,- contant van zijn broers voor het doen van boodschappen.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De door verzoeker verschuldigde en contant voldane huur over de periode van oktober 2014 tot en met januari 2016 bedraagt € 13.600,-. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften blijkt dat er in de periode van 15 september 2014 tot en met 31 januari 2016 stortingen op zijn bankrekening zijn verricht voor in totaal € 5.329,66. Dat betekent dat verzoeker in de periode vanaf de datum van bedrijfsbeëindiging tot aan de datum van melding heeft kunnen beschikken over tenminste een bedrag van € 18.329,66. Daar moet de wekelijkse bijdrage van € 30,- tot € 70,- nog bij worden opgeteld. Uit de in 1.2 genoemde verklaringen van T en M blijkt dat zij een bedrag van in totaal € 11.850,- aan verzoeker hebben geleend. Dat betekent dat verzoeker met enkel de verklaringen van T en M niet volledig inzichtelijk heeft kunnen maken hoe hij in de periode voorafgaand aan de melding in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Ter zitting heeft verzoeker nog verklaard dat hij ook (contant) geld van zijn moeder heeft ontvangen. Deze stelling heeft verzoeker echter niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. De situatie van verzoeker is daarmee dan ook niet vergelijkbaar met die in de uitspraken van 15 september 2015 en

10 november 2015, omdat in die uitspraken de bron van inkomsten volledig bekend was.

4.8.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur ten onrechte financiële gegevens heeft opgevraagd vanaf 15 september 2014, de datum van de beëindiging van zijn bedrijf. Het dagelijks bestuur had zich bij het opvragen van de benodigde gegevens, om te kunnen beoordelen of sprake is van bijstandbehoevende omstandigheden, moeten beperken tot de drie maanden voorafgaand aan de meldingsdatum. Deze grond slaagt niet. Het dagelijks bestuur is in beginsel gerechtigd inzage te verlangen in de bankafschriften over de laatste drie maanden en kan zo nodig over een verder in het verleden liggende periode bankafschriften opvragen. Gelet op het feit dat verzoeker naar eigen zeggen al sinds de bedrijfsbeëindiging per 15 september 2014 geen inkomen uit arbeid of uitkering meer had genoten, was het dagelijks bestuur gerechtigd over een langere periode dan de gebruikelijke drie maanden financiële gegevens van verzoeker op te vragen. Maar ook indien uitsluitend gekeken zou worden naar de financiële gegevens over de laatste drie maanden voorafgaand aan de aanvraag, blijft deels onduidelijk waarvan verzoeker in die periode heeft geleefd. Nog daargelaten dat appellant geen afdoende verklaring heeft kunnen geven waarom hij zich pas op 1 februari 2016 voor het eerst voor het aanvragen van bijstand heeft gemeld, zijn de door verzoeker overgelegde verklaringen van T en M achteraf opgesteld, wordt in die verklaringen slechts een totaalbedrag genoemd, en zijn deze bedragen, bij gebreke van bewijzen van de overdracht van de geleende bedragen, onvoldoende verifieerbaar.

4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het dagelijks bestuur de aanvraag terecht heeft afgewezen op de grond dat verzoeker onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop hij in de periode voor de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien en aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Hieruit volgt tevens dat hem, anders dan verzoeker meent, evenmin met toepassing van het in artikel 18, eerste lid, van de PW neergelegde individualiseringsbeginsel bijstand kan worden verstrekt. Dit artikel houdt namelijk voor het dagelijks bestuur de verplichting in om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Nu het recht op bijstand van verzoeker niet kan worden vastgesteld, ligt daarin besloten dat ook niet kan worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van verzoeker.

Maatregel

4.10.

Verzoeker betwist dat hij zich ernstig heeft misdragen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het besluit van 21 april 2016 slechts het voornemen bevat tot verlaging van de bijstand voor het geval verzoeker binnen een jaar alsnog bijstand zal gaan ontvangen. Een dergelijke aankondiging is niet op enig rechtsgevolg gericht en is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Om die reden stond tegen dit onderdeel van het besluit van 21 april 2016 geen bezwaar open. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van verzoeker in zoverre dan ook op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

Slot

4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. Moustaïne

IJ