Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
16/2535 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor ziekengeld. Beroep ingesteld door werkgeefster. Het namens appellante in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

Het standpunt van appellante dat reeds op de datum in geding sprake was van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vindt geen steun in de medische gegevens. Het door appellante eerst ter zitting ingenomen standpunt, dat betrokkene vanaf de eerste dag waarop zij haar werkzaamheden heeft hervat nimmer in staat is geweest deze volledig te verrichten wegens een gebrek aan concentratievermogen, doet hieraan niet af. Uit de stukken, onder meer de verslagen van de bedrijfsarts, is hiervan niet gebleken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2535 ZW

Datum uitspraak: 22 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
25 maart 2016, 15/2643 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J. ter Welle hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.J. Waleczek, bijgestaan door Ter Welle. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Betrokkene is ter zitting verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam bij appellante. Ze is op 4 oktober 2014 bevallen. Van

26 september 2014 tot 16 januari 2015 heeft zij een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) ontvangen. Aansluitend heeft zij vakantieverlof genoten tot 2 februari 2015. Daarna is zij weer volledig gaan werken bij appellante. Betrokkene heeft zich vervolgens ziek gemeld op 18 februari 2015. Op 13 juli 2015 heeft appellante bij het Uwv gemeld dat betrokkene vanaf 18 februari 2015 ziek is in verband met een oorzaak die in de zwangerschap en/of bevalling is gelegen.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 21 juli 2015 (het primaire besluit) geweigerd betrokkene per 18 februari 2015 in aanmerking te brengen voor ziekengeld op grond van de Ziektewet, omdat is vastgesteld dat zij niet aansluitend aan de WAZO-uitkering ziek is geworden. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit bij besluit van 4 november 2015 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 november 2015 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Er is geen aanleiding gezien om de bevindingen van deze arts niet te onderschrijven. Vastgesteld is dat betrokkene in aansluiting op haar bevallingsverlof per 16 januari 2015 vakantieverlof heeft opgenomen tot 2 februari 2015 en daarna haar werk volledig heeft hervat tot en met

17 februari 2015. Op 18 februari 2015 is betrokkene gedeeltelijk uitgevallen voor haar werk, waarna zij haar werkzaamheden daarna gedeeltelijk heeft voortgezet. Uiteindelijk is zij door toename van klachten per 3 april 2015 volledig uitgevallen. Niet is betwist dat op 3 juli 2015 een eerste contact met de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft bij de beoordeling betrokken dat over de periode van 16 januari 2015 tot en met 3 april 2015 geen medische gegevens beschikbaar zijn – bijvoorbeeld van de gestelde bezoeken van betrokkene aan de huisarts – waaruit kan worden afgeleid dat zij als gevolg van ziekte of gebrek buiten staat was haar arbeid (volledig) te verrichten.

3.1.

Appellante stelt zich op het standpunt dat betrokkene reeds arbeidsongeschikt was in de periode van en aansluitend aan haar bevallingsverlof. De oorzaak hypo- en hyperthyreoïdie, die na de verlofperiode in februari 2015 werd gediagnosticeerd, is het gevolg van zwangerschap of bevalling. Aannemelijk is dat hiervan ook sprake was in de periode direct aansluitend aan het bevallingsverlof. Ten onrechte heeft het Uwv aan de datum van de ziekmelding doorslaggevend gewicht toegekend en op basis daarvan gesteld dat de ongeschiktheid tot werken niet aansloot op de WAZO-periode. Betrokkene heeft zich bij het standpunt van appellante aangesloten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Voor het wettelijke kader wordt verwezen naar overwegingen 4.1 en 4.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het namens appellante in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.3.

De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts van betrokkene van 15 juli 2016 leidt niet tot een ander oordeel. De huisarts heeft in die brief genoteerd geen uitspraken te kunnen doen of er voor 15 januari 2016 al klachten waren die te maken hadden met hyperthyroïde. Voorts heeft de huisarts genoteerd dat betrokkene op

24 maart 2015 voor het eerst op het spreekuur kwam in verband met klachten van hoesten en moeheid. Dit is ruim twee maanden na de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 januari 2017 geconcludeerd dat uit deze informatie niet blijkt dat betrokkene arbeidsongeschikt is geweest in de periode van 2 februari 2015 tot

17 februari 2015. Het eerste contact met de huisarts heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Het hebben van klachten impliceert volgens deze verzekeringsarts niet het bestaan van beperkingen of ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid. Er bestaat geen aanleiding dit gemotiveerde standpunt voor onjuist te houden.

4.4.

De in hoger beroep overgelegde spreekuurverslagen van de bedrijfsarts leiden niet tot een ander oordeel. Deze verslagen zien op de periode van 3 juli 2015 tot en met 28 augustus 2015, gelegen een aantal maanden na de datum in geding. Ter zitting is door appellante en betrokkene bevestigd dat niet eerder dan op 3 juli 2015 in verband met ziekmelding contact is geweest met de bedrijfsarts. Het standpunt van appellante dat reeds op de datum in geding van 17 januari 2015 sprake was van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vindt geen steun in de medische gegevens. Het door appellante eerst ter zitting ingenomen standpunt, dat betrokkene vanaf de eerste dag waarop zij haar werkzaamheden heeft hervat nimmer in staat is geweest deze volledig te verrichten wegens een gebrek aan concentratievermogen, doet hieraan niet af. Uit de stukken, onder meer de verslagen van de bedrijfsarts, is hiervan niet gebleken.

4.5.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.S. van der Kolk en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) R.H. Budde

UM