Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
15/3129 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van bestreden besluiten 1 , 2 en 3 heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat medische onderzoek zorgvuldig is geweest. Beperkingen juist vertaald naar FML. Arbeidskundig overschrijden de functies de belastbaarheid van appellant niet. Wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd is onvoldoende om de inzichtelijk gemotiveerde standpunten van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3129 WIA, 15/7110 ZW, 16/2842 ZW

Datum uitspraak: 29 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2015, 14/653 (aangevallen uitspraak 1), 31 augustus 2015, 15/2088

(aangevallen uitspraak 2) en 20 april 2016, 16/11 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 23 november 2016. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. Dezfouli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als nachtportier/receptionist in een (klein) hotel voor 16 uur per week en als vertegenwoordiger voor 24 uur per week, toen hij op 17 januari 2011 uitviel wegens lichamelijke en psychische klachten na een auto-ongeval in november 2010. Na het doorlopen van de wachttijd heeft het Uwv de behandeling van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) opgeschort en aan de werkgeefster van appellant een loonsanctie opgelegd. Nadat het Uwv is teruggekomen van zijn oordeel om een loonsanctie op te leggen, heeft er alsnog een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 14 januari 2013 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA omdat hij per die datum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 27 juni 2013 bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mede gelet op de voorhanden zijnde informatie van de behandelend sector de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de gevolgen hiervan onderzocht en met inachtneming van de aangepaste FML van 6 december 2013 een reserve functie geschrapt en vastgesteld dat appellant nog steeds geschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van magazijn expeditie medewerker, productiemedewerker en medewerker tuinbouw. Bij besluit van 15 januari 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van
27 juni 2013 ongegrond verklaard.

1.3.

Appellant heeft zich op 11 december 2014 ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 20 januari 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant niet is gewijzigd ten opzichte van het laatstelijk, in het kader van de WIA-beoordeling, verrichte onderzoek en dat de in dat kader geselecteerde functies nog passend zijn. Bij besluit van
20 januari 2015 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 20 januari 2015 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 maart 2015 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
24 maart 2015 ten grondslag.

1.4.

De WW-uitkering van appellant is voortgezet en vanuit die situatie heeft hij zich per
15 september 2015 opnieuw ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Op 1 oktober 2015 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Volgens de arts is het medisch beeld onveranderd ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. Bij besluit van
1 oktober 2015 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 5 oktober 2015 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat hij met ingang van die datum geschikt wordt geacht tot het vervullen van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij besluit van 18 december 2015 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2015 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 3 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 december 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellant tegen bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – kort samengevat – overwogen dat de medische onderzoeken op een voldoende zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van zowel de lichamelijke als de psychische klachten van appellant en bij hun oordeel beschikten over medische informatie van de behandelend sector. De artsen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat appellant de aan hem voorgehouden functies kan vervullen. De functies bevatten geen zware mentale of fysieke belastingaspecten. In beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd waarin steun kan worden gevonden voor het aannemen van verdergaande of andere beperkingen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. Wat betreft de passendheid van de geduide functies heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 januari 2014, overwogen dat de belasting in deze functies de vastgestelde belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden geconcludeerd dat appellant per 14 januari 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering, en dat de ZW-uitkering van appellant per 20 januari 2015 en per 5 oktober 2015 terecht is beëindigd.

3.1.

In de hoger beroepen heeft appellant, kort samengevat, gesteld dat hij door zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat is om arbeid te verrichten. Hij gebruikt zware medicatie waardoor hij in zijn concentratie wordt beperkt. Tevens heeft hij een Tens-apparaat gekregen voor de pijnklachten die hij ervaart. Ook moet hij op onregelmatige tijden rust nemen. Het Uwv heeft ten onrechte besloten dat hij arbeidsgeschikt is ondanks alle klachten die hij heeft en die steeds toenemen. Appellant heeft verzocht een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van wat hij in de eerdere procedures naar voren heeft gebracht en geeft geen reden om van de oordelen van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3, af te wijken en de aan die oordelen ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven.

4.2.

Over bestreden besluit 1, dat betrekking heeft op 14 januari 2013, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, bij appellant een medisch onderzoek verricht en bij zijn beoordeling de telefonisch verkregen informatie van de GGZ en de fysiotherapeut betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier eveneens bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en appellant uitvoerig bevraagd over zijn klachten en behandelingen. Aansluitend aan de hoorzitting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant in bezwaar overgelegde informatie van de behandelend sector op kenbare wijze bij zijn beoordeling betrokken. In zijn rapport van 6 december 2013 vermeld de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat bij appellant sprake is van nek- en armklachten na een ongeval in 2010. Bij neurologisch onderzoek werden destijds geen afwijkingen gevonden. De tintelingen in de hand en de duizeligheidsklachten zijn vanuit hyperventilatie te verklaren. De hyperventilatieklachten kunnen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het licht van de angstklachten worden gezien. Voorts is bij appellant sprake van een PTSS. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast met verdergaande en gewijzigde beperkingen op fysiek en mentaal vlak. Met name de psychische klachten, waarvoor appellant sinds medio 2012 onder behandeling is en die blijkens de informatie van de huisarts van
15 november 2013 in essentie onveranderd zijn gebleven, zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep door de primaire arts onderschat.

4.3.

In navolging van de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten van appellant niet adequaat heeft vertaald naar beperkingen in de FML. De deels in beroep door appellant ingebrachte medische stukken van Big Move van 18 april 2014 en van i-psy van
5 augustus 2015 geven geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 juli 2015 nog gereageerd op de in hoger beroep overgelegde stukken. Voor twijfel aan de juistheid van deze reactie is geen aanleiding.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML van 6 december 2013, bestaat evenmin aanleiding voor een ander oordeel over de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1 dan de rechtbank heeft gegeven. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van 9 januari 2014 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In dat rapport is inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat de functies waarop de schatting is gebaseerd de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Er bestaat geen aanleiding hieraan te twijfelen.

4.5.

Over bestreden besluit 2, dat betrekking heeft op de datum 20 januari 2015, heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellant is door zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitvoerig gezien en beide artsen hebben dossieronderzoek verricht. Gelet op de onderzoeken van de verzekeringsartsen, de voorhanden zijnde medische informatie en de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 juni 2015 op de door appellant in beroep overgelegde medische informatie van Big Move van 18 april 2014 en van i-psy van
2 juli 2014, heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat appellant per 20 januari 2015 geschikt te achten is voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. De medische situatie van appellant is, behoudens het gebruik van een Tens-apparaat voor de pijnklachten, sinds januari 2013 niet veranderd.

4.6.

Over bestreden besluit 3, dat betrekking heeft op de datum 5 oktober 2015, heeft de rechtbank wederom met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur gezien, dossierstudie verricht en op basis van zijn eigen bevindingen tot de conclusie gekomen dat er ten opzichte van voorgaande beoordelingen sprake is van een onveranderd medisch beeld. In ieder geval is geen sprake van afwijkingen die nieuwe beperkingen zouden valideren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en de in bezwaar overgelegde informatie bij zijn beoordeling betrokken. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om de eerder vastgestelde FML van 6 december 2013 te wijzigen. Uit de informatie van de huisarts van 4 november 2015 blijkt dat appellant een maand na de datum in geding is gezien vanwege rugklachten en is doorverwezen voor een röntgenonderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 december 2015 voldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om het standpunt van de primaire arts niet te onderschrijven. Ook met de door deze verzekeringsarts vastgestelde beperkte rugbelastbaarheid worden de in het kader van de WIA‑beoordeling geselecteerd functies passend geacht. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan deze conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.7.

Wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd is onvoldoende om de inzichtelijk gemotiveerde standpunten van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De bevindingen van de verzekeringsartsen en de voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder de overgelegde informatie van Big Move van 18 april 2014, i-psy van 2 juli 2014 en
5 augustus 2015 en de huisarts van 4 november 2015, bieden daarvoor geen grond. De overgelegde informatie dateert van ruim vóór of na de data in geding. Ook uit de overige informatie van de behandelend sector blijkt niet dat de verzekeringsartsen bij de vaststelling van de mogelijkheden en beperkingen van appellant van onjuiste of onvolledige informatie zijn uitgegaan over de gezondheidstoestand van appellant op de data in geding. Voorts blijkt niet dat de behandelaars vinden dat appellant geen werkzaamheden kan verrichten, meer beperkingen heeft of daarover een duidelijke andere mening hebben dan de verzekeringsartsen. Ook het medicatiegebruik van appellant was bij de verzekeringsartsen bekend. Appellant heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat bij hem vanwege medicatiegebruik sprake is van concentratieverlies, of dat bij hem sprake is van bepaalde bijwerkingen waardoor hij voorts niet beroepsmatig mag of kan autorijden. In de FML van
6 december 2013 is rekening gehouden met een verminderde psychische en fysieke belastbaarheid en zijn aanzienlijke beperkingen aangenomen. De klachten van appellant zijn erkend en steeds serieus genomen door de artsen van het Uwv. Dit betekent dat er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de beoordelingen door de artsen van het Uwv. Het verzoek van appellant om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen. De onderbouwing van de bestreden besluiten door de verzekeringsartsen is gezien al het voorgaande overtuigend. De noodzakelijke twijfel om tot het benoemen van een deskundige over te gaan ontbreekt.

5. Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) N. Veenstra

TM