Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1221

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
15/3736 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-Uitkering. Oplegging boete. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen werkzaamheden als zelfstandige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3736 WW, 15/3737 WW

Datum uitspraak: 22 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 april 2015, 14/1437 en 14/1438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.J. Slump een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Slump.


OVERWEGINGEN

1.1

Betrokkene was vanaf 1 september 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam in dienst van [naam werkgever B.V.] Per 1 juni 2013 heeft betrokkene het bedrijf [naam bedrijf A] op zijn naam ingeschreven in het handelsregister, met als bedrijfsomschrijving: het ontwikkelen en produceren van [product]

1.2.

Vanwege een reorganisatie is het dienstverband per 1 juli 2013 beëindigd. Betrokkene is per 2 juli 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies (GAA) van 32 uur per week. Bij zijn aanvraag voor een WW-uitkering heeft betrokkene niet gemeld dat hij een eigen bedrijf heeft.

1.3.

Naar aanleiding van een interne melding over een eigen bedrijf van betrokkene heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de WW-uitkering van betrokkene. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 februari 2014. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat betrokkene op vrijdag 26 juli 2013 per auto een marmeren plaat en een boegschroefonderdeel heeft vervoerd van Amsterdam naar Genua (Italië) ten behoeve van een aldaar gelegen jacht. Betrokkene heeft deze materialen afgeleverd en ter plekke instructies gegeven voor het installeren van deze materialen en is op zaterdag
27 juli 2013 weer teruggereden naar Nederland. Het Uwv heeft vastgesteld dat betrokkene in totaal 29,10 uur met deze werkzaamheden bezig is geweest, daarbij uitgaande van de reistijd van Amsterdam naar Genua en weer terug en de tijd die betrokkene heeft doorgebracht aan boord van het jacht. Betrokkene heeft een vergoeding van € 1.000,- exclusief BTW ontvangen, naast een vergoeding van € 425,90 voor de reiskosten. De facturatie voor de werkzaamheden is verricht onder de naam van het bedrijf van betrokkene, [naam bedrijf A].

1.4.

Op basis van de bevindingen van het fraudeonderzoek heeft het Uwv bij besluit van
4 maart 2014 (primair besluit 1) de WW-uitkering van betrokkene per 22 juli 2013 beëindigd voor 29,10 uur per week, omdat hij voor dit aantal uren zijn hoedanigheid van werknemer heeft verloren wegens het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep (werkzaamheden als zelfstandige). Betrokkene heeft per 22 juli 2013 nog recht op een WW-uitkering voor 2,90 uur per week.

1.5.

Bij besluit van 24 maart 2014 (primair besluit 2) heeft het Uwv over de periode van
22 juli 2013 tot en met 19 januari 2014 een bedrag van € 9.152,78 bruto aan – volgens het Uwv – onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene teruggevorderd.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van eveneens 24 maart 2014 (primair besluit 3) heeft het Uwv betrokkene een boete opgelegd van € 4.580,- wegens schending van de inlichtingenplicht. Betrokkene heeft tegen de primaire besluiten 1 tot en met 3 bezwaar gemaakt.

1.7.

Bij besluit op bezwaar van 10 juli 2014 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard. Het Uwv handhaaft het standpunt dat appellant in de week van 22 juli 2013 tot en met 28 juli 2013 werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht op grond waarvan de WW-uitkering terecht is beëindigd voor 29,10 uur per week.

1.8.

Bij besluit op bezwaar van 23 juli 2014 (bestreden besluit 2) zijn de bezwaren tegen de primaire besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. De rechtbank heeft het Uwv opdracht gegeven om nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van de aangevallen uitspraak. Tevens is het Uwv veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat in de eerste plaats ter beantwoording voorligt de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de door betrokkene op 26 en 27 juli 2013 verrichte werkzaamheden niet beschouwd te worden als werkzaamheden als zelfstandige maar als een betaalde netwerkactiviteit. Dit betekent dat het Uwv ten onrechte heeft bepaald dat betrokkene voor 29,10 uur als zelfstandige heeft gewerkt en dus ook ten onrechte zijn recht op WW-uitkering voor dat aantal uren heeft ingetrokken (lees: beëindigd), aldus de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 eveneens gegrond verklaard en bestreden besluit 2 vernietigd, omdat de vernietiging van bestreden besluit 1 tot gevolg heeft dat de grondslag aan de terugvordering en de boete is komen te ontvallen.

2.2.

De rechtbank heeft geen mogelijkheid gezien om tot een finale geschilbeslechting te komen in beide beroepszaken omdat uit de vernietiging van de bestreden besluiten veel nieuwe beslispunten voortvloeien, waaronder de beantwoording van de vraag welke gevolgen de inkomsten uit de werkzaamheden dan wel dienen te hebben voor het recht op uitkering, de terugvordering en de boete.

3.1.

Appellant heeft zich in het hoger beroepschrift op het standpunt gesteld dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd, zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, van de WW. Het vervoeren van materialen voor een jacht en het geven van instructies wat betreft het installeren van deze materialen op het jacht, zijn werkzaamheden die in het economisch verkeer worden verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Door deze werkzaamheden niet onverwijld te melden aan appellant heeft betrokkene zijn inlichtingenplicht geschonden. Dit betekent dat de WW-uitkering van betrokkene per 22 juli 2013 terecht is beëindigd voor 29,10 uur per week omdat hij over deze uren de hoedanigheid van werknemer heeft verloren, aldus appellant. Appellant heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

3.2.

Betrokkene heeft zich in verweerschrift achter het oordeel van de rechtbank geschaard en bepleit dat de door hem verrichte werkzaamheden terecht zijn aangemerkt als een betaalde netwerkactiviteit. Dit betekent dat hij deze werkzaamheden niet heeft hoeven melden aan appellant, zodat er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Ook is er geen grond om een boete op te leggen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 4 van de aangevallen uitspraak. Voor een goed begrip wordt hier nogmaals de tekst van artikel 8, eerste en tweede lid, van de WW, zoals dat gold ten tijde in geding, weergegeven. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de WW herkrijgt een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien de werkzaamheden worden beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de uitkeringsduur, dan wel binnen anderhalf jaar, indien de uitkeringsduur korter is dan anderhalf jaar.

4.2.

Uit de besluitvorming van het Uwv en de overwegingen van de rechtbank wordt begrepen dat bestreden besluit 1 zijn grondslag vindt in artikel 8, tweede lid, van de WW. Appellant legt, gezien de gronden in hoger beroep, aan de gedeeltelijke beëindiging van de
WW-uitkering van appellant niet langer artikel 8, tweede lid, van de WW ten grondslag, maar artikel 8, eerste lid, van de WW. Daaruit begrijpt de Raad dat het hoger beroep niet is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de herziening ten onrechte is gegrond op artikel 8, tweede lid, van de WW, en om die reden de beroepen gegrond heeft verklaard en de bestreden besluiten heeft vernietigd, maar is gericht tegen de opdracht die de rechtbank aan appellant heeft gegeven om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Volgens appellant kunnen de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten

1 en 2 in stand blijven.

4.3.

Voor de vraag of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven, moet worden beoordeeld of betrokkene voor 29,10 uur per week zijn hoedanigheid van werknemer (blijvend) heeft verloren door het verrichten van werkzaamheden uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd, zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, van de WW.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9083, wordt onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW, verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.

4.5.

Betrokkene heeft niet betwist op 26 en 27 juli 2013 de in 1.3 vermelde werkzaamheden te hebben verricht. Deze werkzaamheden voldoen aan de in 4.4 genoemde criteria. Betrokkene heeft bovendien voor deze werkzaamheden ook een vergoeding ontvangen, naast de vergoeding voor de reiskosten (brandstof en tol). Deze werkzaamheden moeten daarom worden aangemerkt als werkzaamheden uit hoofde waarvan betrokkene zijn hoedanigheid van werknemer verliest, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW. Appellant heeft de omvang van deze werkzaamheden vastgesteld op 29,10 uur. Deze omvang heeft betrokkene niet betwist. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de WW, eindigt het recht op

WW-uitkering voor dit aantal uren.

4.6.

Betrokkene heeft de in 1.3 vermelde werkzaamheden niet uit eigen beweging gemeld aan appellant. Het had betrokkene redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het werkzaamheden betreft die van invloed kunnen zijn op het recht op een WW-uitkering, temeer daar betrokkene hiervoor een betaling heeft ontvangen. Door deze werkzaamheden niet onverwijld aan appellant te melden, heeft betrokkene zijn inlichtingenplicht geschonden. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW was appellant gehouden de
WW-uitkering van betrokkene met terugwerkende kracht te herzien voor 29,10 uur per week.

4.7.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW is het Uwv gehouden de over de periode van 22 juli 2013 tot en met 19 januari 2014 onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene terug te vorderen. Betrokkene heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de hoogte van de terugvordering.

4.8.

Gelet op wat in 4.6 is overwogen staat vast dat betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Appellant is op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW dan ook gehouden betrokkene een boete op te leggen.

4.9.

De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij zijn overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een ander bedrag uit te gaan dan door appellant is opgelegd. Deze boete is hier passend en geboden.

4.10.

Uit wat is overwogen in 4.4 tot en met 4.9 volgt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten 1 en 2 in stand kunnen blijven.


5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 10 juli 2014 en 23 juli 2014 in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) G.J. van Gendt

SS