Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
16/3779 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doordat niet alle verweten gedragingen zijn komen vast te staan en de gedragingen die wel zijn komen vast te staan door de Raad niet als ernstig plichtsverzuim worden gekwalificeerd, is de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig te achten aan het vastgestelde plichtsverzuim, zodat deze aan appellant opgelegde straf niet in stand kan blijven. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3779 AW

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 april 2016, 15/1300 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.C. Bolton, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.A. Martens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 september 2008 werkzaam bij de [gemeente] als [functie] bij de afdeling [afdeling] .

1.2.

In de eerste helft van 2013 heeft het college een reeks van anonieme brieven ontvangen. Daarnaast heeft het college een e-mailbericht ontvangen van de echtgenote van appellant, waarin onder meer vermeld is dat appellant een bladblazer van de gemeente zou hebben gestolen en verkocht aan een derde.

1.3.

Op 26 februari 2013 heeft, naar aanleiding van de tot op die datum ontvangen anonieme brieven, een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en afdelingshoofd L,

personeelsadviseur B en integriteitscoördinator M. Appellant heeft in dit gesprek zijn vermoeden geuit dat de anonieme brieven afkomstig waren van zijn echtgenote, waarmee hij op dat moment in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld. Op vrijdag 15 maart 2013 is bij de [gemeente] en een e-mail binnen gekomen, afkomstig van de echtgenote van appellant, waarin zij de beschuldiging herhaalt dat appellant een bladblazer van de gemeente heeft gestolen en doorverkocht en dat zij daarbij aanwezig is geweest. Op 5 april 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden van personeelsadviseur B en integriteitscoördinator M met de echtgenote van appellant, in welk gesprek zij de beschuldiging aan het adres van appellant heeft bevestigd en voorts heeft verklaard dat “ het verduisteren geschiedde op een zomerdag, op welke dag alle medewerkers van de sector Stad deelnamen aan het sectoruitstapje” en dat de anonieme brieven zijn geschreven door een vriendin van haar. Daarbij heeft zij ook verklaard dat de echtscheidingsprocedure tot spanningen heeft geleid en dat zij niet wilde dat de scheiding zou doorgaan. Na verder intern onderzoek heeft het college op 18 juli 2013 aan appellant meegedeeld dat het voornemen bestaat hem strafontslag te verlenen, omdat hij zich door het stelen van de bladblazer schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Voorts heeft het college besloten appellant met ingang van 5 augustus 2013 te schorsen totdat een definitief besluit wordt genomen inzake het plichtsverzuim en is hem voor de duur van de schorsing de toegang tot alle gemeentelijke gebouwen ontzegd.

1.4.

Op 18 juni 2013 is namens de gemeente Kerkrade aangifte gedaan van verduistering van een bladblazer door appellant, als pleegdatum is vermeld tussen woensdag 1 juni 2011 en

30 augustus 2011, vermoedelijk 23 juni 2011. Op 12 juli 2013 heeft de officier van justitie aan de gemeente bericht dat appellant terzake van verduistering in persoonlijke dienstbetrekking niet strafrechtelijk vervolgd zal worden wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

1.5.

Op 26 augustus 2013 heeft een collega van appellant, G, bij de gemeente melding gemaakt van het verdwijnen van een aan hem toebehorende fiets uit een fietsenstalling van de gemeente, waarbij appellant betrokken zou zijn. Appellant heeft desgevraagd aan G verklaard dat hij de bewuste fiets met toestemming van zijn leidinggevende heeft meegenomen en dat de fiets, nadat hij hem had opgeknapt, bij zijn woning is gestolen. Vervolgens is door de gemeente een nader intern onderzoek ingesteld. Dit onderzoek zag tevens op de aanwezigheid van appellant buiten werktijd op de gemeentewerf en het verlenen van toegang tot deze werf aan zijn echtgenote.

1.6.

Nadat het college een voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze hierover naar voren had gebracht, heeft het college appellant bij besluit van

1 oktober 2014, op grond van artikel 8:13 juncto artikel 16:1:2, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) de disciplinaire straf opgelegd van ongevraagd en onvoorwaardelijk ontslag met ingang van 6 oktober 2014. Aan het strafontslag zijn de volgende gedragingen als plichtsverzuim ten grondslag gelegd:

1. medio 2011 heeft appellant zonder toestemming een aan de gemeente Kerkrade toebehorende bladblazer gepakt en deze doorverkocht;

2. eind 2012 heeft appellant onder valse voorwendselen de fiets van G in bezit genomen door aan zijn leidinggevende niet de waarheid te vertellen;

3. appellant heeft verzuimd om conform de met hem gemaakte afspraken een briefje voor de eigenaar op te hangen en te waken over de fiets;

4. appellant heeft verzuimd om de diefstal van de fiets voor zijn huis onmiddellijk door te geven aan zijn leidinggevende en hieromtrent aangifte te doen bij de politie;

5. appellant heeft onjuiste en niet met deugdelijke bewijsstukken te onderbouwen verklaringen afgelegd;

6. appellant is in 2012 en 2013 veelvuldig zonder toestemming buiten werktijd op de gemeentewerf geweest;

7. appellant heeft ten minste twee keer zonder toestemming zijn echtgenote toegang verleend om buiten het zicht van de leiding c.q. collega’s te komen op het achterterrein van de gemeentewerf.

Bij besluit van 11 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij (samengevat) overwogen dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet afdoet aan de aard en de ernst van de gedragingen en aan de kwalificatie daarvan als ernstig plichtsverzuim. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant zijn gedragingen niet toegerekend kunnen worden. Het college was dan ook bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen. Gezien de aard en ernst van de vastgestelde gedragingen acht de rechtbank het opgelegde ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.1.

Aan het standpunt dat appellant de in 1.6, onder 1, vermelde gedraging (met betrekking tot de bladblazer) heeft begaan, heeft het college de verklaringen van de echtgenote van appellant en van de beweerdelijke koper, R, ten grondslag gelegd. Nu sprake was van een verstoorde verhouding tussen appellant en zijn echtgenote, moet het college in het kader van het disciplinair onderzoek voorzichtig omgaan met de verklaring van de echtgenote en is het daarom noodzakelijk de inhoud van deze verklaring te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kon worden vastgesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan wat hem is verweten. Het dossier bevat geen nadere objectieve gegevens, zoals bijvoorbeeld een registratie van de toegangsgegevens of camerabeelden op de datum 23 juni 2011, die in voornoemde zin de verklaring van de echtgenote over de betrokkenheid van appellant bij de vermiste bladblazer bevestigen. In het kader van het medio 2013 uitgevoerde interne onderzoek is uit controlelijsten van het gereedschap van de gemeente gebleken dat in 2012 een bladblazer, merk Stihl, type BG56 met serienummer 284424993, ontbreekt en dat door twee medewerkers, K en M, van de gemeente is verklaard dat in 2011 een bladblazer verdwenen was, dat er naar is gezocht en dat hij niet gevonden is. Uit deze verklaringen blijkt geenszins van betrokkenheid of verantwoordelijkheid van appellant bij de verdwijning van de bewuste bladblazer. De in het dossier opgenomen verslagen van de door R afgelegde verklaringen zijn gebaseerd op met hem gevoerde telefoongesprekken, deze verslagen zijn niet door R ondertekend. Daarenboven zijn deze verklaringen onvoldoende bepaald in tijd en te weinig specifiek om daaraan de conclusie te verbinden dat appellant de door de gemeente vermiste bladblazer aan R heeft verkocht. Nu de verklaring van de echtgenote niet wordt ondersteund door andere, objectief vastgestelde gegevens, appellant ontkend heeft zich aan verduistering van de bladblazer te hebben schuldig gemaakt en aan de verklaringen van R niet de betekenis kan worden toegekend die het college daaraan wenst toe te kennen, is er onvoldoende basis voor de overtuiging dat appellant deze verweten gedraging heeft begaan.

4.2.2.

Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat het college evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat appellant onder valse voorwendselen de fiets van G in bezit heeft genomen door aan zijn leidinggevende (M) niet de waarheid te vertellen (gedraging genoemd in 1.6, onder 2). Niet in geschil is dat de fiets gedurende ongeveer een jaar ongebruikt in de fietsenstalling heeft gestaan en dat appellant vervolgens met toestemming van M de fiets heeft meegenomen. Niet aannemelijk is geworden dat appellant M hierbij heeft misleid ten aanzien van de staat van de fiets. Als deze fiets platte banden had en onder het stof zat na een jaar in de stalling te hebben gestaan, kon het immers ook een oude(re) fiets lijken. M heeft het niet gecontroleerd door de fiets zelf te bekijken en kon derhalve niet op grond van eigen waarneming de verklaring van appellant weerleggen. Nu de verklaringen van appellant en van M over de voorwaarden waaraan appellant moest voldoen alvorens de fiets mee te mogen nemen, uiteen lopen en M desgevraagd ook heeft verklaard zich de vraagstelling (van appellant) en (zijn) antwoord daarop niet meer te kunnen herinneren, heeft het college ook de in 1.6, onder 3, vermelde gedraging niet aannemelijk gemaakt.

4.2.3.

Appellant heeft niet betwist dat hij geen aangifte heeft gedaan van de diefstal van de fiets voor zijn huis en dit evenmin heeft gemeld bij zijn leidinggevende. Nu appellant wist dat hij weliswaar toestemming had om de fiets te gebruiken maar daarvan niet de eigenaar was geworden, is de in 1.6, onder 4, omschreven gedraging door het college terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

4.2.4.

Uit de toegangsregistratiegegevens blijkt overtuigend dat appellant in 2012 en 2013 veelvuldig, buiten de voor hem geldende werktijden op de gemeentewerf is geweest. Hij heeft daarover geen eensluidende verklaringen afgelegd en heeft evenmin verklaard waarom hij op al die momenten op de gemeentewerf was. Daarmee heeft appellant niet gehandeld zoals een goed ambtenaar betaamt. Het college heeft dit gedrag terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Dit geldt ook voor het zonder toestemming meenemen van zijn echtgenote op de gemeentewerf, hetgeen door appellant ook niet is ontkend. De Raad oordeelt dat aannemelijk is dat appellant de aan hem verweten gedragingen als benoemd in overweging 1.6, 5 (voor zover betrekking hebbend op de aanwezigheid van appellant op de gemeentewerf buiten de voor hem geldende werktijden), 6 en 7 heeft begaan en dat deze gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als plichtsverzuim.

4.2.5.

De Raad is niet gebleken dat appellant voormeld plichtsverzuim niet kan worden toegerekend, zodat het college de bevoegdheid toe kwam appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.2.6.

Nu aannemelijk is geworden dat appellant de hem verweten gedragingen als benoemd in 1.6 onder 1, 2, 3 en 5 (voor zover betrekking hebbend op de verdwenen fiets) niet heeft begaan, konden deze gedragingen niet aan het besluit tot het opleggen van een disciplinaire straf ten grondslag worden gelegd.

4.3.

Doordat niet alle verweten gedragingen zijn komen vast te staan en de gedragingen die wel zijn komen vast te staan door de Raad niet als ernstig plichtsverzuim worden gekwalificeerd, is de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig te achten aan het vastgestelde plichtsverzuim, zodat deze aan appellant opgelegde straf niet in stand kan blijven.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4.5.

Omdat het college zich niet heeft uitgelaten over de disciplinaire straf die het zou opleggen als moet worden uitgegaan van minder ernstig plichtsverzuim en niet is vastgesteld dat een ontslag op een andere grond niet aan de orde is, ziet de Raad geen mogelijkheid tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik. De Raad zal het college opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 maart 2015;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze

uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 418,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

S.C. Stuldreher als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD