Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
15/5938 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WGA-Uitkering na herbeoordeling. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5938 WIA

Datum uitspraak: 31 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2015, 15/1478 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. W.S. Worung, advocaat, aanvullende gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Namens appellante is verschenen mr. E. Tahitu, kantoorgenoot van mr. Worung. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als cateringmedewerkster voor ongeveer 30 uur per week. Op 20 april 2007 is zij uitgevallen met depressieve klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante na een medisch onderzoek, waarbij informatie van de huisarts van 27 maart 2010 werd meegewogen, bij besluit van 4 juni 2010 in kennis gesteld dat zij met ingang van

8 augustus 2009 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Met ingang van 8 mei 2010 is deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Medio 2014 heeft op verzoek van de (ex)werkgever een herbeoordeling plaatsgevonden. In dit kader heeft een verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend psychiater en een urenbeperking aangenomen tot 20 uur per week. Na een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv de WGA-uitkering bij besluit van 21 juli 2014 met ingang van 22 september 2014 ingetrokken, omdat appellante vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.

1.3.

In bezwaar is namens appellante naar voren gebracht dat zij in verband met een carpaal tunnelsyndroom niet in staat is met beide handen te werken. Een in dat kader gegeven injectie heeft onvoldoende resultaat gehad. Verder zou onvoldoende rekening zijn gehouden met de psychische klachten. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling zou de functie van teamondersteuner met SBC-code 315090 vanwege het ontbreken van een administratieve vooropleiding niet passend zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 27 oktober 2014 geoordeeld dat aanleiding bestaat een minder vergaande urenbeperking tot 25 uur per week aan te nemen. Een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft alle door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies passend geacht en ten aanzien van de functie van teamondersteuner toegelicht dat daarvoor geen administratieve vooropleiding vereist is. Bij besluit van

30 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van

21 juli 2014 ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat een brief van de huisarts van 16 juni 2015 in geding gebracht, alsmede een brief van de orthopedisch chirurg van 17 maart 2015 en brieven van de psychiater van

29 januari 2014 en van 17 september 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 18 juni 2015 het ingenomen standpunt gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, zorgvuldig heeft plaatsgevonden, waarbij de artsen over voldoende informatie beschikten om tot een afgewogen oordeel te komen. Appellante heeft de stelling dat zij als verdergaand beperkt moet worden beschouwd onvoldoende onderbouwd. Deze wordt daarom verworpen. Ten aanzien van de in beroep overgelegde informatie heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet concreet heeft gemaakt tot welke conclusies die stukken zouden moeten leiden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn zienswijze op die stukken gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij op 27 oktober 2014 melding heeft gemaakt van een val, waardoor zij blijvende schade aan haar linker ringvinger heeft opgelopen.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. Met de beperkingen van appellante is, voor zover deze medisch geobjectiveerd zijn, in de FML in voldoende mate rekening gehouden. Zo blijkt uit de informatie van de psychiater dat appellante tussen maart 2012 en maart 2013 bij PuntP onder behandeling is geweest voor psychische problematiek. Vanaf juni 2013 is de behandeling voortgezet bij Sinaï Centrum met enkele ondersteunende gesprekken en medicatie. Uit deze informatie kan niet worden afgeleid dat de beoordeling van de belastbaarheid van appellante per 22 september 2014 niet juist is geweest. Nu in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen van appellante per de datum in geding zijn onderschat, ziet de Raad geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Wat betreft de stelling van appellante dat voorbij is gegaan aan de kwetsuur aan de linker hand wordt de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onjuist geacht, dat het de niet-dominante (linker)hand van appellante betreft en dat het topje van de ringvinger voor het vervullen van de voorgehouden arbeidsmogelijkheden geen functie heeft.

5.3.

Uit overweging 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP