Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
16/2865 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2634, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Substantieel bezwarende functie. Tijdelijke regeling. Overstap naar een andere functie. Terecht oordeel rechtbank dat betrokkene niet is tegen te werpen dat hij ten tijde van aanvraag niet meer werkzaam was in SB-functie. Ook valt niet tegen te werpen dat gesprek niet vóór overstap naar een andere functie heeft plaatsgevonden. Overstap naar een hogere functie inbegrepen in artikel 3 Tijdelijke regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2865 AW, 16/6211 AW

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2016, 15/2520 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Veiligheid en Justitie (appellant)

[naam betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. dr. R.L. van Heusden, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 5 september 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Sanders. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Van Heusden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was van 1 december 2003 tot 1 januari 2014 werkzaam in een substantieel bezwarende functie (SB-functie) bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), laatstelijk als [functie A] bij de Penitentiaire Inrichting (PI) te [plaatsnaam] . In december 2013 heeft betrokkene gesolliciteerd naar de functie van [functie B] , zijnde een niet SB-functie. Betrokkene heeft vervolgens bij zijn leidinggevende tevens plaatsvervangend vestigingsdirecteur V geïnformeerd naar de mogelijkheden om in aanmerking te komen voor een arrangement op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie (Tijdelijke regeling). V heeft betrokkene, na advies te hebben ingewonnen bij de personeelsadviseur, medegedeeld dat hij hiervoor niet in aanmerking komt. Per

1 januari 2014 is betrokkene overgeplaatst naar de functie van [functie B] .

1.2.

Nadat betrokkene in mei 2014 duidelijk was geworden dat hij wel in aanmerking had kunnen komen voor een arrangement in het kader van de Tijdelijke regeling, heeft hij op

31 mei 2014 een “Aanvraagformulier arrangementen tweede carrière na SB-functie” ingevuld en verzocht om toekenning van arrangement C (geen opleiding gericht op een nieuwe baan, geen baangarantie, loopbaanpremie). Op 18 juni 2014 heeft betrokkene een belangstellingsregistratiegesprek gevoerd en is het aanvraagformulier ondertekend door V.

1.3.

Bij besluit van 23 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2015 (bestreden besluit), heeft appellant de aanvraag van betrokkene afgewezen op de grond dat betrokkene ten tijde van de aanvraag niet werkzaam was in een SB-functie. De regeling ziet niet op ambtenaren die reeds een overstap hebben gemaakt zonder een voorafgaande aanvraag voor arrangement C.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de aanvraag niet past binnen de doeleinden van de Tijdelijke regeling. Voorts kan betrokkene niet worden tegengeworpen dat hij ten tijde van de aanvraag niet langer werkzaam was in een SB-functie. In de Tijdelijke regeling is geen uiterste aanvraagdatum opgenomen. Bovendien heeft appellant toegegeven dat hij aanvragen binnen een maand na de overgang naar een nieuwe functie nog pleegt te honoreren en in die gevallen niet strikt vasthoudt aan het standpunt omtrent de uiterste datum van indiening van een aanvraag. In het door betrokkene genoemde geval van D is de aanvraag zelfs meer dan een maand later ingediend. Of en in hoeverre daarbij sprake was van een fout, is niet duidelijk geworden. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 27 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:651) faalt, omdat in die zaak van belang was dat het dienstverband van de betrokken ambtenaar niet met het oog op het met de Tijdelijke regeling beoogde doel was beëindigd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 60 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen om ambtenaren die werkzaam zijn in een substantieel bezwarende functie als bedoeld in artikel 94b, eerste lid, van het ARAR te stimuleren na verloop van tijd de overstap te maken naar een niet substantieel bezwarende functie. Met de Tijdelijke regeling, die de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft vastgesteld in overeenstemming met de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, is hieraan uitvoering gegeven.

4.1.2.

Op grond van de artikelen 2 en 3 van de Tijdelijke regeling kan het bevoegd gezag met de ambtenaar die tussen de tien en twaalf dienstjaren heeft in een SB-functie en die geen herplaatsingskandidaat is als bedoeld in artikel 49d van het ARAR loopbaanafspraken maken, gericht op de overstap naar een andere functie. Hierbij kunnen aan de ambtenaren verschillende arrangementen worden toegekend, waaronder een loopbaanpremie (arrangement C). In artikel 7, tweede lid, van de Tijdelijke regeling zijn aan het verstrekken van deze loopbaanpremie nadere voorwaarden gesteld, waaronder de voorwaarden dat de ambtenaar minimaal acht dienstjaren aaneengesloten aangesteld is geweest in een SB-functie en een overstap maakt naar een andere functie, of aan de ambtenaar eervol ontslag is verleend op grond van artikel 94 van het ARAR.

4.2.1.

De Raad stelt voorop dat artikel 60 van het ARAR en de Tijdelijke regeling geen voorschriften bevatten die bepalen dat de ambtenaar ten tijde van de aanvraag werkzaam moet zijn in een SB-functie en dat de aanvraag derhalve voorafgaande aan de overstap naar een niet SB-functie moet zijn ingediend. Uit de uitspraak van de Raad van 27 februari 2014 volgt evenmin dat het moment van indiening van de aanvraag bepalend is. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij ten tijde van de aanvraag niet meer werkzaam was in een SB-functie. Appellant heeft ter zitting ook bevestigd dat aanvragen als hier aan de orde vrijwel nooit voorafgaand aan de overstap naar een niet SB-functie worden ingediend en dat bij de beoordeling van de aanvraag doorslaggevend is of uit de bij de aanvraag gevoegde stukken blijkt dat de loopbaanpremie de ambtenaar is ‘voorgehouden’ in een loopbaangesprek voorafgaand aan de overstap.

4.2.2.

Het betoog van appellant dat het bij wijze van belangstellingsregistratie gevoerde loopbaangesprek moet hebben plaatsgevonden op een tijdstip vóór de overstap is op zichzelf juist, maar leidt in dit geval niet tot het door appellant beoogde resultaat. In artikel 3 van de Tijdelijke regeling is bepaald dat het bevoegd gezag met de ambtenaar loopbaanafspraken kan maken gericht op de overstap naar een andere functie. Volgens het in het informatieblad “Regeling arrangementen na een Substantieel Bezwarende Functie bij DJI” opgenomen stappenplan dient de ambtenaar zich voor het voeren van het loopbaangesprek en het invullen van het daartoe bestemde POP2-formulier te wenden tot zijn leidinggevende. Niet in geschil is dat betrokkene zich daartoe tot zijn leidinggevende tevens plaatsvervangend vestigingsdirecteur V heeft gewend, maar dat het gesprek niet heeft plaatsgevonden uitsluitend omdat V betrokkene ten onrechte heeft medegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor een arrangement op grond van de Tijdelijke regeling. In dit geval kan daarom aan betrokkene niet worden tegengeworpen dat het gesprek niet vóór de overstap naar een andere functie heeft plaatsgevonden.

4.2.3.

Ten slotte heeft appellant nog betoogd dat de prikkel voor de overstap naar een andere functie niet het vooruitzicht van de loopbaanpremie is geweest en dat betrokkene ook om die reden geen aanspraak kan maken op arrangement C. De enkele omstandigheid dat betrokkene de overstap naar een niet SB-functie in het kader van carrièreplanning en promotie wilde maken, maakt echter nog niet dat de aanvraag van betrokkene niet past binnen de doeleinden van de Tijdelijke regeling. Er is geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat onder “overstap naar een andere functie” in artikel 3 van de Tijdelijke regeling niet ook de overstap naar een hogere functie is begrepen. Ook in dat geval wordt immers vroegtijdige uittreding (vanuit een SB-functie) voorkomen. Appellant heeft bovendien ter zitting verklaard dat de aanvraag van betrokkene zonder meer zou zijn ingewilligd indien het loopbaangesprek voorafgaand aan de overstap naar de andere functie zou hebben plaatsgevonden.

4.3.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.4.

Voor de goede orde en ter verduidelijking merkt de Raad nog op dat voor zijn oordeelsvorming in de uitspraak van 27 februari 2014 beslissend is geweest dat met de betrokken ambtenaar niet - voorafgaand zijn ontslag - (loopbaan)afspraken waren gemaakt gericht op een andere functie (dat wil zeggen: een niet-SB-functie), maar dat sprake was van een ander vertrekmotief.

5. Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van proceskosten in verband met de procedure in eerste aanleg tot een hoger bedrag dan de rechtbank heeft gedaan. Tegen de proceskostenveroordeling in beroep heeft betrokkene echter geen hoger beroep ingesteld, zodat hier slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 990,- voor verleende rechtsbijstand en € 23,60 voor gemaakte reiskosten. De gevorderde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, reeds omdat deze niet met bewijsstukken zijn onderbouwd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.013,60.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) L.L. van den IJssel

JL