Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
16/2702 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant voldoet niet aan de voorwaarden van punt 4 van het Addendum, behorende bij de Overeenkomst Arbeidsvoorwaarden, zodat de weigering van het verzoek tot toekenning van een ploegendiensttoeslag over de jaren 2006 tot en met 2011 op deze gronden in rechte standhoudt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2702 AW

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1 april 2016, 15/6461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Economische Zaken (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Waard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Waard. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. van der Bent.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is bij de ['naam werkgever] werkzaam als toezichthoudend dierenarts. Hij verrichtte in de jaren 2006 tot en met 2011 in opdracht van de [naam dienst 1] werkzaamheden bij met name [bedrijf] . Op 1 januari 2012 is de ['naam werkgever] ontstaan uit de samenvoeging van de [naam dienst 1] , de [naam dienst 2] en de [naam dienst 3] . In de Overeenkomst Arbeidsvoorwaarden ['naam werkgever] van 5 juli 2011 (Overeenkomst) zijn met de vakbonden afspraken gemaakt over de arbeidvoorwaarden die vanaf 1 januari 2012 gelden voor alle medewerkers van de ['naam werkgever] . Per die datum is de minister ten aanzien van het werken in onregelmatige (rooster)dienst overgegaan naar een systeem van variabele vergoedingen op basis van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). Voor degenen die op dat moment aanspraak maakten op een ploegendiensttoeslag, is een afbouwregeling in het leven geroepen. In punt 4 van het Addendum van 17 juli 2012, behorende bij de Overeenkomst (Addendum), is, onder meer opgenomen dat medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2011 aan de voorwaarden voor ploegendiensttoeslag voldeden en deze destijds ten onrechte niet hebben ontvangen, deze toeslag alsnog met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 zal worden verstrekt onder verrekening van de over die uren ontvangen toelage onregelmatige dienst. In punt 6 van het Addendum is voorzien in een eenmalige toelage voor medewerkers die in één of meer van de kalenderjaren 2006 tot en met 2011 minimaal 40 dagen per jaar bij een slachterij met een totale slachttijd per dag van tien uur of meer keuringswerkzaamheden hebben verricht en zich daarbij flexibel hebben ingezet, maar geen ploegendiensttoeslag in het betreffende kalenderjaar heeft ontvangen.

1.2.

Op 15 oktober 2014 heeft appellant verzocht hem over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2011 alsnog een ploegendiensttoeslag op grond van punt 4 van het Addendum toe te kennen. Bij besluit van 16 februari 2015 is dit verzoek afgewezen. Wel is aan appellant een eenmalige vergoeding als bedoeld in punt 6 van het Addendum toegekend.

1.3.

Bij besluit van 11 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft de minister na bezwaar de afwijzing van het verzoek van appellant gehandhaafd. Volgens de minister komt appellant niet in aanmerking voor de ploegendiensttoeslag omdat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in de Regeling 2-ploegendienst RVV (Rijksdienst voor de keuring van

Vee en Vlees) van 26 juni 2002 (de Regeling) en nader ingevuld in de Nota

‘Regeling 2-ploegendienst RVV’ van 21 april 2004. Begin 2004 is de 2-ploegendienst bij het toenmalige [bedrijf] afgeschaft, zodat van inroostering in een

2-ploegendienst als bedoeld in de Regeling in de periode van 2006 tot en met 2011 geen sprake kan zijn geweest. Bovendien is niet gebleken dat feitelijk wel sprake was van het inzetten van twee opeenvolgende ploegen c.q. dat appellant structureel in een afwisselend patroon van vroege en late dienst heeft gewerkt. Dat hij veelvuldig onregelmatige diensten heeft verricht, doet daaraan niet af, nu deze niet zijn aan te merken als 2-ploegendiensten in de zin van de Regeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek van appellant tot toekenning van schadevergoeding afgewezen. Daartoe is overwogen dat het verzoek van appellant om hem over de periode van 2006 tot en met 2011 alsnog een ploegendiensttoeslag toe te kennen, moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de eerder in die jaren verstrekte salarisspecificaties en salarisbetalingen. Daartegen had appellant destijds bezwaar kunnen maken. Nu het gaat om een duuraanspraak over een in het verleden gelegen periode moet de rechtbank zich bij de toetsing van het bestreden besluit beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of de minister daarin aanleiding had behoren te vinden om achteraf de oorspronkelijke salarisbetalingen te herzien. Het onder punt 4 van het Addendum gestelde, dat door appellant als nieuw feit aan zijn verzoek ten grondslag is gelegd, betreft geen nieuw feit of veranderde omstandigheid, omdat de in de Regeling genoemde voorwaarden voor een dergelijke toeslag in het Addendum niet zijn gewijzigd. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt voorts niet. De minister heeft toegelicht dat de toekenning van de ploegendiensttoeslag aan de door appellant genoemde collega op een fout berust, en het gelijkheidsbeginsel gaat niet zover dat van de minister verlangd kan worden dat hij die fout ten gunste van appellant herhaalt.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehanteerd, omdat in punt 4 van het Addendum een (her)nieuw(d)e aanspraak op een volle toetsing van een daarop betrekking hebbend verzoek is neergelegd. De Raad volgt appellant in dit betoog. De minister heeft na de periode waarin in bepaalde situaties een ploegendiensttoeslag werd toegekend, in voornoemd Addendum een nieuwe, zelfstandige mogelijkheid gecreëerd om in aanmerking te komen voor een ploegendiensttoeslag over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2011. In overeenstemming hiermee heeft de minister het verzoek van appellant inhoudelijk beoordeeld. Anders dan de rechtbank, zal de Raad het bestreden besluit dan ook toetsen in het licht van de daartegen door appellant aangevoerde beroepsgronden.

4.2.1.

Appellant heeft gesteld dat hij aan de voorwaarden van de Regeling voldoet. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de 2-ploegendienst bij [bedrijf] was afgeschaft in de periode 2006 tot en met 2011. Indien deze 2-ploegendienst wel is afgeschaft, is dit ten onrechte, omdat bij [bedrijf] sprake was van een slachttijd van tien uur of meer. Een overschrijding van negen uur bedrijfstijd per dag, terwijl de Arbeidstijdenwet een maximumnorm kent van negen uur per dag, is juist de reden geweest om de 2-ploegendienst in het leven te roepen. Het ontbreken van een overeenkomst over de

2-ploegendienst tussen de VWA en de slachterij, als hiervan sprake zou zijn, mag voorts niet aan appellant worden tegengeworpen, omdat de Regeling strekt ter bescherming van de betrokken ambtenaren. Hij werkte in ieder geval feitelijk op een wijze die de voorwaarden van punt 4 van het Addendum vervult. Appellant had immers zeer onregelmatige werktijden, hij maakte lange dagen en de bedrijfstijd bij [bedrijf] bedroeg meer dan tien uur per dag.

4.2.2.

De Raad is met de minister van oordeel dat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat de 2-ploegendienst bij [bedrijf] op 1 maart 2004 is beëindigd. Dit is vermeld in een brief van de VWA van 19 februari 2004 aan een collega-dierenarts die werkzaam was bij [bedrijf] in de tijd dat de 2-ploegendienst nog bestond, in een e-mailbericht van

[naam 1] , [functie 1] ['naam werkgever] , van 13 februari 2015 alsook in een

e-mailbericht van diezelfde datum van [naam 2] , [functie 2] van

[BV] . Aldus bestond bij aanvang van de tewerkstelling van appellant bij [bedrijf] in februari 2005 geen 2-ploegendienst meer. Dit betekent dat niet is voldaan aan het in artikel 1, tweede lid van de Regeling bepaalde, dat alleen sprake is van een 2-ploegendienst als dit is overeengekomen met de betreffende slachterij. Op deze grond kwam het verzoek al voor afwijzing in aanmerking. Desondanks heeft de minister ook beoordeeld of appellant in de betreffende periode materieel, gelet op zijn werkrooster, aan de eisen voor het verkrijgen van een 2-ploegendiensttoeslag voldeed. Gebleken is dat appellant individueel werd ingeroosterd, kort voor de daadwerkelijke verrichting van de werkzaamheden. Verder blijkt uit zijn urenoverzichten uit het

Fatijdec-systeem ten aanzien van de periode 2006 tot en met 2011 dat hij voornamelijk vroege diensten, in mindere mate dagdiensten en niet of incidenteel late diensten verrichtte. Appellant heeft de in deze overzichten vermelde werktijden op zichzelf niet bestreden. Hoewel de Raad met de minister het onregelmatige werkpatroon en de daarmee gepaard gaande belasting van appellant onderkent, leiden deze gegevens tot de conclusie dat hij niet structureel in een afwisselend patroon van vroege en late diensten werkte. De geldende bedrijfstijd bij [bedrijf] destijds maakt dit niet anders. De Raad komt daarmee tot de slotsom dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van punt 4 van het Addendum, zodat de weigering van het verzoek tot toekenning van een ploegendiensttoeslag over de jaren 2006 tot en met 2011 op deze gronden in rechte standhoudt.

4.3.

Appellant heeft zich voorts beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Volgens appellant is aan zijn collega R, die ook toezichthoudend dierenarts is, de 2-ploegendiensttoeslag toegekend, terwijl haar werksituatie met die van appellant vergelijkbaar was maar zij zelfs in mindere mate aan de voorwaarden voldoet dan appellant. Dit beroep slaagt niet. De minister heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het hier om een foutieve beslissing gaat, nu R de eerste medewerker was die een verzoek hiertoe indiende en ten onrechte slechts een korte controle is verricht; R heeft de toeslag vervolgens gekregen terwijl daar geen aanspraak op bestond. Naar het oordeel van de Raad heeft de minister hiermee aannemelijk gemaakt dat de ten aanzien van R genomen beslissing op een fout van de minister berust. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3770) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat het bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

4.4.

Appellant heeft tot slot een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. In dit verband heeft appellant gewezen op een memo van [naam 3] , toenmalig Inspecteur-Generaal van de [naam dienst 1] , van 8 december 2011, dat vermeldt dat conform eerdere toezegging een ten onrechte niet betaalde ploegendiensttoeslag alsnog wordt uitbetaald. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Een toezegging van dien aard ten aanzien van appellant bevat voornoemde memo niet, nu hierin alleen wordt vermeld dat voor maximaal zeven medewerkers van [bedrijf] mogelijk een aanspraak op een ten onrechte niet ontvangen ploegendiensttoeslag bestaat, waartoe nog nader onderzoek nodig is.

5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden bevestigen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

S.C. Stuldreher als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD