Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
16/5919 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De reactie is op het verzoek van appellant om opvang op grond van de Wmo 2015 kan niet anders worden begrepen dan dat het college daarmee (impliciet) de gevraagde opvang op grond van de Wmo heeft geweigerd. Verwijzing naar de uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5919 WMO15, 16/5920 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
3 augustus 2016, 15/5511 en 15/7438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

Datum uitspraak: 29 maart 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Op 29 mei 2015 heeft appellant het college verzocht een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen bestaande uit passende maatschappelijke opvang.

1.3.

In reactie op dit verzoek heeft het college bij beslissing van 11 juni 2015 de gemachtigde van appellant bericht dat appellant tijdelijk is ondergebracht in een woning in [plaatsnaam] via [organisatie]. Het college beschouwt de aanvraag om hulp hierbij als afgedaan.

1.4.

Op 12 juni 2015 en 28 juli 2015 heeft appellant het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 29 mei 2015. Op 28 juli 2015 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd met kenmerk 15/5511.

1.5.

Appellant heeft op 17 juli 2015 bezwaar gemaakt tegen de onder 1.3 genoemde beslissing. Bij brief van 21 oktober 2015 heeft betrokkene het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen de onder 1.3 genoemde beslissing.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de zaak met kenmerk 15/5511 – voor zover van belang – het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verder het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 17 juli 2015, ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op het hiervoor onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.2.

De Raad is van oordeel dat de onder 1.3 genoemde beslissing van het college dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hiertoe is van belang dat uit deze beslissing blijkt dat het een reactie is op het verzoek van appellant van

29 mei 2015 om opvang op grond van de Wmo 2015. Het college heeft de gemachtigde van appellant meegedeeld dat appellant is ondergebracht in een woning via [organisatie] en dat het college de aanvraag om hulp hiermee beschouwt als afgedaan. Het besluit van 11 juni 2015 kan daarom niet anders worden begrepen dan dat het college daarmee (impliciet) de gevraagde opvang op grond van de Wmo heeft geweigerd.

4.3.

In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

4.4.

Het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb heeft ten doel het bestuursorgaan ertoe te bewegen alsnog een besluit te nemen. Hiertoe wordt aan een belanghebbende een rechtsmiddel geboden in de situatie waar het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen. Gelet op deze beperkte strekking kan op grond van genoemde bepaling geen rechtsmiddel meer worden aangewend nadat een voor bezwaar (en beroep) vatbaar besluit is genomen. Nu het college ten tijde van het indienen op 28 juli 2015 van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 29 mei 2015, het afwijzend Wmo-besluit van 11 juni 2015 reeds had genomen, had de rechtbank genoemd beroep

niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraken van

22 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO2505 en 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:911, en de uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 29 mei 2015, niet-ontvankelijk verklaren.

4.5.

Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit. Het door appellant op 28 juli 2015 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 29 mei 2014, heeft daarom mede betrekking op het besluit van 11 juni 2015.

4.6.

Appellant is geen vreemdeling als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en is ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld. Voor zover appellant in hoger beroep aanvoert dat hij recht heeft op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015, slaagt dit niet. De Raad verwijst hierbij naar zijn oordeel zoals dat is neergelegd in zijn uitspraak van

22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1, waaruit volgt dat appellant geen aanspraak kan maken op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015. Hetgeen appellant in deze zaak meer of anders heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Het beroep gericht tegen het besluit van 11 juni 2015 zal dan ook ongegrond worden verklaard.

4.7.

De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat geen sprake is van een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 17 juli 2015. Het oordeel van de rechtbank dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 17 juli 2015 ongegrond is, kan daarom geen stand houden. De aangevallen uitspraak komt in zoverre eveneens voor vernietiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 29 mei 2015

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 11 juni 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 29 maart 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

KP