Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
15/2 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om langdurigheidstoeslag omdat appellant zijn inkomen in deel van de referteperiode niet aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2 WWB

Datum uitspraak: 28 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 november 2014, 13/5894 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 22 juli 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het college de bijstand met ingang van 20 november 2011 ingetrokken op de grond dat appellant langer in het buitenland verbleef dan is toegestaan. Bij besluit van 28 maart 2012 heeft het college appellant vanaf 23 januari 2012 opnieuw bijstand naar dezelfde norm verleend. Op

15 april 2013 heeft appellant een langdurigheidstoeslag aangevraagd.

1.2.

Bij brief van 7 mei 2013 heeft het college appellant verzocht om gegevens te verstrekken, nodig voor de beoordeling van de aanvraag. Het betreft een schriftelijke verklaring over wat de inkomsten van appellant waren over de periode van 20 november 2011 tot 23 januari 2012 en bewijsstukken die zijn verklaring ondersteunen. Appellant heeft op 21 mei 2013 laten weten dat hij in de genoemde periode in zijn geboorteland Soedan verbleef en dat hij heeft geleefd van geld dat hij van vrienden had geleend. Van die leningen staat niets op papier.

1.3.

Bij besluit van 3 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag langdurigheidstoeslag afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken waarvan hij gedurende de periode van 20 november 2011 tot 23 januari 2012 heeft geleefd en dat om die reden niet kan worden vastgesteld dat appellant voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, van de WWB opgenomen voorwaarde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor toekenning van een langdurigheidstoeslag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.2.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening Langdurigheidstoeslag Utrecht (Verordening) wordt onder langdurig en laag inkomen verstaan een gemiddeld inkomen per maand dat gedurende de referteperiode niet uitkomt boven 110% van de geldende bijstandsnorm. Uit artikel 1 van de Verordening volgt dat de referteperiode een periode van 36 maanden is, voorafgaand aan de datum waarop in enig jaar het recht op de langdurigheidstoeslag ontstaat.

4.3.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Het is dus aan appellant om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarde dat zijn inkomen gedurende de referteperiode niet hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat in beroep de stukken ontbraken die nodig zijn ter vaststelling van het feit dat appellant in de periode van 20 november 2011 tot 23 januari 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien met bedragen die hij ontving van zijn vrienden. In hoger beroep heeft appellant aangekondigd met die stukken te komen. De Raad heeft echter geen stukken ontvangen van appellant. Reeds om die reden heeft appellant niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en T.L. de Vries en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) A. Mansourova

CVG