Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
15/5945 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering mee te werken aan voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Grond dat rekening had moeten worden gehouden met ritueel kunnen wassen op de werkplek is te laat aangevoerd. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een beperking van het recht op vrijheid van godsdienst.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/150
USZ 2017/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5945 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

21 juli 2015, 15/440 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van ISD Noordoost (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 28 maart 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Namens appellanten is verschenen mr. Van Braam. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 17 december 2007 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] (H) heeft in opdracht van het dagelijks bestuur in februari 2014 een onderzoek ingesteld naar de re-integratiemogelijkheden van appellant. In het van dit onderzoek opgemaakte rapport van 27 februari 2014 staat onder meer het volgende. Appellant is niet geschikt voor de door hem voorgestane werkzaamheden in de installatietechniek vanwege lichamelijke beperkingen. Met de werkzaamheden waarvoor appellant wel geschikt is, kan hij 100% van het wettelijk minimumloon genereren. Appellant is niet in staat om zelfstandig een baan te verwerven. Geadviseerd wordt om appellant deel te laten nemen aan een traject met een meer dwingend karakter.

1.3.

Op 18 maart 2014 hebben H en de consulent van appellant, [naam consulent N] (N), het advies van H met appellant besproken. Volgens het verslag van dit gesprek heeft appellant te kennen gegeven dat hij beperkingen heeft, dat de kans op overspannenheid vrij groot is, dat hij tweemaal eerder overspannen is geweest, dat dit snel weer gaat gebeuren wanneer hij werk gaat doen dat hij niet leuk vindt en dat hij niet gemotiveerd is om het aan het werk te gaan. Vervolgens heeft N appellant aangemeld voor het traject “Direct Werk”. In verband daarmee heeft appellant aansluitend aan voormeld gesprek een intakegesprek gevoerd met [naam G] (G) en [naam D] . Per e-mailbericht van 18 maart 2014 heeft G aan N over het intakegesprek met appellant het volgende gemeld:

“[Appellant] gaf tijdens zijn intake aan dat hij niet gemotiveerd is om deel te nemen aan het traject. […] Hij wil alleen aan het werk als installatiemonteur. O.g. heeft [appellant] nogmaals gevraagd of hij wil deelnemen aan het traject: hij gaf expliciet te kennen dat hij niet wil deelnemen aan het traject Direct Werk.”

1.4.

Bij brief van 18 maart 2014 heeft het dagelijks bestuur appellant bericht van plan te zijn een maatregel op te leggen omdat appellant geen gebruik wil maken van het aanbod om werkervaring op te doen bij het traject en daardoor niet heeft voldaan aan zijn verplichting gebruik te maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het dagelijks bestuur heeft appellant in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren en in dit kader te vermelden om welke reden hij geen gebruik wil maken van de aangeboden voorziening.

1.5.

In reactie hierop heeft appellant bij ongedateerde brief, door het dagelijks bestuur ontvangen 24 maart 2014, het volgende meegedeeld:

“Ik wil graag werken maar geen buitenwerk zoals door u is voorgesteld. Wanneer ik deze werkzaamheden ga verrichten en ik naar de wc moet dan zal ik rekening moeten houden met ritueel wassen. Dit houdt in dat er een schone omgeving moet zijn waar ik ritueel kan wassen. Dit betekent dat ik niet alleen mijn handen ga wassen maar ook andere delen van mijn lichaam. Binnen werken zou betekenen dat ik dit wel kan oplossen zoals mijn geloof dit van mij verwacht. Ik wil u daarom vragen om bij het zoeken van werk hier rekening mee te houden. Wellicht is er werk voor mij bij Fivelingo. Zelf wil ik voorstellen om me te plaatsen bij de afdeling elektronica. [...]”

1.6.

Bij besluit van 16 april 2014 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten vanaf 1 april 2014 met 100% verlaagd gedurende één maand. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant door niet deel te nemen aan het traject de verplichting tot het gebruik maken van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening niet is nagekomen.

1.7.

Bij besluit van 22 december 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2014 gegrond verklaard, in die zin dat de ingangsdatum van de verlaging is verplaatst naar 1 mei 2014. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Door pas op 24 maart 2014 mee te delen dat ritueel wassen mogelijk moet zijn, heeft appellant het dagelijks bestuur de gelegenheid ontnomen om daarmee rekening te houden bij het aanbieden van een werkervaringsplek. Appellant heeft niet op grond van concrete objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat medewerking aan het traject op grond van zwaarwegende religieuze bezwaren niet van hem kan worden gevergd. Hij heeft op 18 maart 2014 en daarna niet alleen de werkervaringsplaats geweigerd, maar expliciet te kennen gegeven niet mee te willen werken aan het traject. Daarom kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hiervoor bedoelde verordening is in dit geval de Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 ISD Noordoost (Verordening).

4.3.

In artikel 8 van de Verordening zijn de gedragingen van een belanghebbende tot het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen van onder meer artikel 9, eerste lid, van de WWB onderverdeeld in een aantal categorieën. In het derde lid zijn de gedragingen van de derde categorie opgenomen, waaronder ingevolge het bepaalde onder c valt het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruikmaken van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Bij deze categorie gedragingen is in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening de verlaging vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

4.4.

Niet in geschil is dat het traject een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Evenmin is in geschil dat deze voorziening, in de vorm van werk in de groenvoorziening, op 18 maart 2014 aan appellant is aangeboden en dat appellant heeft geweigerd van dit aanbod gebruik te maken. Hiermee is gegeven dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde verplichting.

4.5.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellant geen verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van de in 4.4 genoemde verplichting, aangezien hij het aangeboden werk in de groenvoorziening heeft geweigerd op grond van zwaarwegende religieuze redenen. Het traject heeft betrekking op buitenwerk. Op basis van zijn geloof heeft appellant een schone omgeving nodig waar hij zich ritueel kan wassen. Voor appellant houdt dit in dat hij zich moet reinigen voorafgaand aan het gebed en na ieder toiletgebruik. Bij buitenwerk is dat niet mogelijk, zodat hij bij het verplicht moeten uitvoeren van dat werk wordt beperkt in zijn recht op vrijheid van godsdienst. Appellant stelt dat het dagelijks bestuur hiermee rekening had moeten houden bij het aanbieden van een voorziening, omdat hij dit reeds op 18 maart 2014 naar voren heeft gebracht.

4.6.1.

De in 1.4 weergegeven verslagen van de gesprekken op 18 maart 2014 zijn weliswaar summier, maar bevatten geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat appellant, naar hij stelt, tijdens die gesprekken het ritueel wassen ter sprake heeft gebracht. Aldus moet worden aangenomen dat appellant pas met zijn in 1.5 geciteerde brief - en dus na de ontvangst van het voornemen van het dagelijks bestuur om een maatregel op te leggen - kenbaar heeft gemaakt dat hij in verband met zijn geloof de mogelijkheid moet hebben zich ritueel te wassen. De stelling dat, kort gezegd, het dagelijks bestuur al op 18 maart 2014 er van op de hoogte was dat appellant zich ritueel moet kunnen wassen en daarmee rekening had moeten houden bij het aanbieden van een voorziening, dient om die reden te worden verworpen.

4.6.2.

Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij door het werk in de groenvoorziening dat hij in het kader van het traject diende te verrichten werd beperkt in zijn recht op vrijheid van godsdienst. Het enkele feit dat de werkzaamheden buiten plaatsvonden, is onvoldoende voor het oordeel dat ritueel wassen als door appellant voorgestaan onmogelijk is. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het dagelijks bestuur onweersproken naar voren gebracht dat voor de medewerkers in de groenvoorziening toiletfaciliteiten beschikbaar zijn. Hierop heeft de gemachtigde van appellanten betoogd dat appellant desondanks niet in staat zou zijn om zich ritueel te wassen. Een concrete onderbouwing van dit betoog is achterwege gebleven, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat de beroepsgrond dat appellant niet kan worden verweten dat hij de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde verplichting niet is nagekomen, niet slaagt.

4.8.

Aangezien appellant kan worden verweten dat hij geen gebruik heeft gemaakt van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening, was het dagelijks bestuur op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellanten overeenkomstig de Verordening te verlagen. Niet in geschil is dat de opgelegde maatregel van 100% gedurende een maand in overeenstemming is met de Verordening.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en T.L. de Vries en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) A. Mansourova

JL