Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
16-2185 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens gewichtige redenen. Met de minister en de rechtbank, en anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat de minister terecht de beëindiging van de detachering als een vaststaand gegeven heeft beschouwd, nu appellant om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen die zijn voorzien in het Statuut en het Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen (Verdrag). Deze rechtsgang houdt in dat op grond van artikel 79 en artikel 80 van het Statuut eerst een bestuurlijke procedure van administratief verzet moet worden doorlopen. Vervolgens geldt op grond van artikel 27 van het Verdrag een exclusieve rechtsgang bij de Kamer van Beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/687
AB 2017/328 met annotatie van Redactie, R. Ortlep
ABkort 2017/112
TAR 2017/94
NJB 2017/865
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2185 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 februari 2016, 15/3198 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Vermeulen, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de minister een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vermeulen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. Mulder en drs. D. van den Berg. Laatstgenoemde is werkzaam bij de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland, die namens de minister krachtens mandaat het werkgeverschap uitoefent voor de functies bij de Nederlandse secties van Europese scholen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na een daarop gerichte benoeming, bij besluit van de minister, is appellant met ingang van 1 september 2007 op basis van detachering werkzaam geweest als leerkracht aan de Europese School te [plaatsnaam 1] , Nederland. Bij overplaatsingsbesluit van 7 maart 2012 heeft de minister hem met ingang van 1 september 2012 aangesteld teneinde hem te detacheren als leerkracht primair onderwijs aan de Nederlandse afdeling van de Europese School te [plaatsnaam 1] , Italië. Op het dienstverband met de Europese Scholen was van toepassing het Statuut Gedetacheerd Personeel van de Europese Scholen (Statuut).

1.2.

In 2013 is een conflict ontstaan tussen appellant en zijn echtgenote enerzijds en de schoolleiding in [plaatsnaam 1] anderzijds, naar aanleiding van de weigering van de schoolleiding om de zoon van appellant in een hogere klas te plaatsen. Appellant is na dit conflict ziek geweest in de periode van 15 oktober 2013 tot 1 april 2014. Kort na zijn werkhervatting heeft hij zich weer ziek gemeld, op 15 mei 2014.

1.3.

Bij brief van 30 oktober 2014 heeft de Secretaris-Generaal van de Europese Scholen appellant mededeling gedaan van zijn besluit om op grond van artikel 41.4 van het Statuut appellants detachering te beëindigen per 25 oktober 2014, wegens langdurig ziekteverzuim. De brief bevatte een verwijzing naar het rechtsmiddel van administratief verzet bedoeld in artikel 79 van het Statuut. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van dit rechtsmiddel.

1.4.

Bij besluit van 18 december 2014 (primair besluit) heeft de minister appellant per

1 maart 2015 op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Primair Onderwijs (CAO-PO) eervol ontslag verleend wegens gewichtige redenen, namelijk het vervallen van de detacheringsmogelijkheid aan een Europese School en het niet beschikbaar zijn van andere passende werkzaamheden. Daarbij is vermeld dat bij leerkrachten van wie de detachering eindigt de situatie ontstaat dat ze opnieuw onder verantwoordelijkheid van de minister vallen maar dat deze geen werkzaamheden voor ze beschikbaar heeft, zodat herplaatsing niet tot de mogelijkheden behoort. Wel rust op de minister een inspanningsverplichting bij het vinden van passend werk op de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarmee is rekening gehouden bij het bepalen van de ingangsdatum van het ontslag, die later ligt dan de ontslagdatum van 26 oktober 2014 (de dag volgend op het einde van de detachering), die volgens artikel 4.10, vijfde lid, van de CAO-PO had kunnen worden gehanteerd.

1.5.

Bij besluit van 13 april 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het primair besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, voor zover hier van belang, overwogen dat niet in geschil is dat appellants detachering bij de Europese School is beëindigd. De minister kon niet anders dan dit als een vaststaand gegeven beschouwen. Nu de detachering de grondslag vormde voor appellants aanstelling was de minister bevoegd hem ontslag wegens gewichtige redenen te verlenen. De minister heeft in voldoende mate voldaan aan zijn inspanningsverplichting bij het vinden van passend werk.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de minister niet anders kon dan de beëindiging van de detachering als een vaststaand gegeven beschouwen. De minister heeft in dit verband ten onrechte gesteld dat appellant met betrekking tot het besluit tot beëindiging van de detachering gebruik had kunnen en moeten maken van de exclusieve rechtsgang bij (uiteindelijk) de Kamer van Beroep. Deze Kamer zou volgens appellant, als hij beroep had ingesteld, slechts een administratieve beslissing hebben genomen en alleen hebben beoordeeld of sprake was van twaalf maanden arbeidsongeschiktheid wegens ziekte in drie jaar tijd; het beroep zou zonder meer ongegrond zijn verklaard. Beroep instellen zou dus zinloos zijn geweest. Voorts heeft appellant betoogd dat de minister ten onrechte geen bemiddelende rol heeft gespeeld om te voorkomen dat de detachering zou worden beëindigd. Vervolgens is de minister ook tekortgeschoten bij de terugkeerbegeleiding. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of plaatsing op een andere Europese School mogelijk was, terwijl later is gebleken dat er verschillende opties waren. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 4.2 (in verbinding met artikel 31) van het Statuut in de weg zou hebben gestaan aan een nieuwe detachering. Bij een en ander moet niet uit het oog worden verloren dat de situatie grotendeels is ontstaan door de houding en het (gebrek aan) handelen van de minister, aldus appellant.

3.2.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de minister en de rechtbank, en anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat de minister terecht de beëindiging van de detachering als een vaststaand gegeven heeft beschouwd, nu appellant om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen die zijn voorzien in het Statuut en het Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen (Verdrag). Deze rechtsgang houdt in dat op grond van artikel 79 en

artikel 80 van het Statuut eerst een bestuurlijke procedure van administratief verzet moet worden doorlopen. Vervolgens geldt op grond van artikel 27 van het Verdrag een exclusieve rechtsgang bij de Kamer van Beroep.

4.2.

Anders dan appellant heeft betoogd, is er geen grond om aan te nemen dat de Kamer van Beroep slechts beperkte rechtsmacht had ten aanzien van de beëindiging van de detachering. De minister heeft in dit verband terecht gewezen op de ruime rechtsmacht omschreven in artikel 27, tweede lid, van het Verdrag: “De Kamer is in eerste en laatste instantie exclusief bevoegd om, na uitputting van de bestuurlijke procedure, uitspraak te doen in alle geschillen betreffende de toepassing van dit Verdrag op de hierin genoemde personen, met uitsluiting van het administratief en dienstpersoneel, en betreffende de wettigheid van een besluit dat gebaseerd is op het Verdrag of op grond van dit Verdrag vastgestelde regels waardoor die personen benadeeld worden en dat genomen is door de Raad van Bestuur of het Dagelijks Bestuur binnen de uitoefening van de bevoegdheden die hun bij dit Verdrag zijn verleend. Wanneer het gaat om een geschil over geldzaken, heeft de Kamer van Beroep volledige rechtsmacht.”

4.3.

Het betoog van appellant dat de Kamer van Beroep geen rechterlijke instantie zou zijn treft evenmin doel, nu het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 14 juni 2011, zaak C-196/09 (Miles e.a. tegen Europese scholen) heeft overwogen dat deze Kamer voldoet aan alle van belang zijnde factoren om te worden aangemerkt als “rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU.

4.4.

Een en ander betekent dat, zoals de minister terecht heeft gesteld, de Nederlandse rechter onbevoegd is voor zover de rechtsmacht van de Kamer van Beroep reikt. Gelet op de ruime rechtsmacht van de Kamer van Beroep had appellant aan die kamer niet alleen zijn grieven betreffende de beëindiging van zijn detachering kunnen voorleggen, maar ook zijn grief dat hij toen hij situationeel arbeidsongeschikt was voor zijn werk in [plaatsnaam 1] , ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een overplaatsing naar de Europese School in [plaatsnaam 1] .

4.5.

In lijn met wat de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraken van

29 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO9266 en 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB5144) is appellant door het einde van de detachering komen te verkeren in de positie van een vanuit een Europese school bij de minister teruggekeerde leraar zonder functie. In zo’n situatie is de minister bevoegd tot het verlenen van een ontslag op grond van gewichtige redenen. Nu binnen het gezagsbereik van de minister geen daarvoor in aanmerking komende scholen meer aanwezig zijn, reikt de inspanningsplicht die op de minister rust tot herplaatsing van appellant niet zover dat van de minister kan worden gevergd hem in een onderwijsfunctie te herplaatsen.

4.6.

Appellants stelling dat de minister zich ten onrechte niet heeft ingespannen hem opnieuw gedetacheerd te krijgen op een van twee vacante posten bij Europese Scholen te [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 3] berust - mede gezien de conflictueus verlopen detachering en het gegeven dat de minister geen zeggenschap heeft over het aannamebeleid van de Europese Scholen - niet op een realistische inschatting van de posities van appellant en de minister. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellant zelf wel heeft gesolliciteerd op de beide door hem genoemde functies, maar niet is aangenomen. Wat de minister daaraan had kunnen veranderen is niet duidelijk geworden. De Raad kan appellant ook niet volgen in zijn stelling dat de situatie waarin appellant is komen te verkeren grotendeels zou zijn ontstaan door de houding en het gebrek aan handelen van de minister. Niet ten onrechte heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de conflictueuze situatie in [plaatsnaam 1] primair is ontstaan doordat appellant zijn professionele rol als leerkracht en zijn ouderrol niet heeft kunnen scheiden.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) W.A.M. Ebbinge

RB