Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
15/5539 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en heropening Wajong-uitkering i.v.m. detentie. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5539 Wajong

Datum uitspraak: 24 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juli 2015, 15/310 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. Heuvelmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.C.M. Schormans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving vanaf 15 november 2005 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 23 oktober 2012 is hij in voorlopige hechtenis gesteld. Bij besluit van 30 november 2012 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 23 november 2012 beëindigd op de grond dat appellant op 23 oktober 2012 is gedetineerd en de detentie langer dan een maand duurde. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof) heeft de voorlopige hechtenis van appellant bij beslissing van 21 juli 2014 met ingang van 23 juli 2014 opgeheven. Bij arrest van 28 juli 2014 heeft het Hof het vonnis van de rechtbank Limburg van 5 februari 2013, waarbij appellant was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest, vernietigd en appellant, voor zover thans van belang, bij gebrek aan bewijs vrijgesproken van wat hem ten laste was gelegd.

1.2.

Bij besluit van 25 juli 2014 heeft het Uwv de Wajong-uitkering met ingang van

23 oktober 2013 [lees: 23 juli 2014] heropend, op de grond dat hij vanaf die datum niet langer gedetineerd is. Naar aanleiding van het telefonische verzoek van appellant op 30 september 2014 om een beslissing te nemen over zijn recht op een Wajong-uitkering gedurende de periode dat hij gedetineerd heeft gezeten, heeft het Uwv bij besluit van 1 oktober 2014 aan appellant meegedeeld dat hij over de periode van 23 november 2012 tot 23 juli 2014 geen recht heeft op een Wajong-uitkering.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit, is bij besluit van 18 december 2014

niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het niet op enig rechtsgevolg was gericht. Appellant heeft beroep tegen het besluit van 18 december 2014 ingesteld. Hangende de beroepsprocedure heeft het Uwv op 19 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2014 ontvankelijk en ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 februari 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep – voor zover gericht tegen het besluit van 18 december 2014 – niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van processueel belang en – voor zover gericht tegen het besluit van 19 februari 2015 – ongegrond verklaard, met veroordeling van het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellant in beroep. De rechtbank heeft, kort samengevat, geoordeeld dat in het geval van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor beëindiging van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als opgenomen in artikel 3:19, vijfde lid, van de Wet Wajong en dat appellant gelet op dit artikel geen recht kan doen gelden op een Wajong-uitkering over de periode van 23 november 2012 tot en met 23 juli 2014. De rechtbank heeft voorts overwogen dat van de zijde van het Uwv aan appellant geen toezegging is gedaan dat de Wajong-uitkering over de periode van 23 november 2012 tot en met 23 juli 2014 alsnog zou worden betaald. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedingstukken volgt dat vanuit het Klant Contact Centrum (KCC) van het Uwv op 24 juli 2014 eerst een standaard antwoord is gegeven op het verzoek van appellant om een voorschot op zijn Wajong-uitkering en dat hem vervolgens op 30 september 2014 door een medewerker van het Uwv telefonisch is meegedeeld dat hij een toekenningsbeslissing zal ontvangen inzake het verzochte voorschot en een afwijzing inzake de periode voorafgaand aan 23 juli 2014.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hem van de zijde van het Uwv is toegezegd dat hij vanwege de vrijspraak door het Hof met terugwerkende kracht van 23 november 2012 tot aan 23 juli 2014 recht had op een Wajong-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en maakt de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dat oordeel is gekomen tot de zijne. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. Anders dan door appellant is betoogd, kan uit de omstandigheid dat hij bij de balie van het KCC een kopie van het arrest van het Hof van 28 juli 2014 heeft afgegeven niet worden afgeleid dat hem van de zijde van het Uwv een stellige toezegging is gedaan dat de Wajong-uitkering met terugwerkende kracht tot 23 november 2012 zou worden toegekend. Zijn stelling dat hij zonder een toezegging, geen kopie van het arrest van 28 juli 2014 zou hebben overgelegd, is niet onderbouwd. De rechtbank heeft in overweging 7 gemotiveerd waarom het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

4.3.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM