Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
16/4112 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag. De minister heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat appellant niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4112 MAW

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 mei 2016, 15/4085 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.H. ten Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend. De minister heeft desgevraagd inlichtingen gegeven en stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Wolde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. van der Weijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 25 maart 2014 is appellant met ingang van 1 april 2014 aangesteld bij het [afdeling] van de krijgsmacht (Natres) in de rang van [rang] met een proeftijd van zes maanden.

1.2.

Bij besluit van 25 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2015 (bestreden besluit), heeft de minister appellant op grond van artikel 39, zevende lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement met ingang van 1 november 2014 eervol ontslag verleend. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat de communicatie met appellant zeer moeizaam verloopt. Hij heeft herhaaldelijk en structureel de beslissingen of mededelingen van militaire collega’s die zijn meerdere zijn in twijfel getrokken. Ook heeft hij in het openbaar kritiek naar voren gebracht, gericht tegen een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag te weten: zijn bataljonscommandant. Appellant heeft hiermee niet laten zien dat hij beseft deel uit te maken van een professionele organisatie, die een gemeenschappelijke taak heeft. Verder heeft hij een collegiaal telefoongesprek opgenomen zonder dit tevoren aan te kondigen. De minister concludeert dat appellant niet voldoet aan de verwachtingen die hij als werkgever redelijkerwijs mag stellen. Hij baseert deze conclusie niet op een enkel incident, maar op het gehele beeld dat hij van het gedrag van appellant heeft gekregen. Hij heeft dan ook geen vertrouwen meer in appellant als militair ambtenaar.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De minister heeft aan appellant tijdens zijn proeftijd ontslag verleend. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3706) is de toetsing van zo’n besluit terughoudend. Deze toetsing is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan in redelijkheid te stellen eisen en/of verwachtingen heeft voldaan.

4.2.

De minister heeft tijdens de beroepsprocedure op verzoek van de rechtbank de motivering van het bestreden besluit aangevuld en schriftelijke verklaringen overgelegd van vier militairen die per e-mail, telefonisch en/of in een gesprek contact hebben gehad met appellant en van twee militairen die geen direct contact hebben gehad met appellant maar op de achtergrond betrokken zijn geweest bij contacten van anderen met appellant. Deze verklaringen dateren van september en begin oktober 2015. Met deze aanvulling en de verklaringen heeft de minister zijn eerder ingenomen standpunten nader onderbouwd. De omstandigheid dat deze verklaringen bijna een jaar na het ontslag van appellant zijn gegeven noch de omstandigheid dat de betrokkenen met elkaar hebben gesproken over appellant en hun contacten met hem, geeft aanleiding om aan de betrouwbaarheid en juistheid van die verklaringen te twijfelen. De verklaringen sluiten namelijk aan bij de in het besluit van

25 september 2014 en in het bestreden besluit ingenomen standpunten en de vóór deze verklaringen al overgelegde stukken.

4.3.

Uit het e-mailverkeer met [naam a] en [naam b] en, in aanvulling daarop, uit de verklaringen van [naam c] , eerste [naam d] , [naam b] en [naam a] blijkt dat appellant zich in zijn contacten met hen tijdens zijn proeftijd dwingend en gelijkhebberig heeft opgesteld en per e-mail met veel omhaal van woorden en zeer vasthoudend zijn eigen gelijk en belangen heeft nagestreefd, veelal tegen hem gedane mededelingen of gegeven regels in. Niet in geschil is dat appellant daarnaast een telefoongesprek met [naam a] heeft opgenomen zonder dit vooraf te vragen of daarover een mededeling te doen. Hiermee heeft appellant niet de opstelling betoond die van een militair bij Natres mag worden verwacht, een opstelling die de minister heeft getypeerd als een ‘hands-on-mentaliteit’. Dat appellant wel de algemene militaire opleiding goed heeft doorlopen en dat hij al eerder bij Natres heeft gewerkt, kunnen dit niet goedmaken. Op te veel momenten gedurende zijn proeftijd heeft appellant namelijk desondanks een ongepaste opstelling getoond tegenover collega-militairen die hoger in rang waren dan hij. Ook de uitgebreide toelichtingen van appellant op zijn wijze van communiceren, zijn verklaringen over wat is voorgevallen en de door hem overgelegde steunverklaringen van groepsgenoten kunnen deze constatering niet goedmaken. Verder heeft de minister verklaard dat de aanstelling van appellant in de rang van [rang] in plaats van een lagere rang uitsluitend berust op de omstandigheid dat hij al eerder een aanstelling had en niet op een waardering van zijn kwaliteiten. De Raad onderschrijft dan ook de overwegingen van de rechtbank en haar conclusie dat de minister in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A Bootsma als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) A.M. Pasmans

RH