Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
15/1473 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2006:AW9247, is het rechtsmiddel van (hoger) beroep niet bedoeld om een gerechtelijke uitspraak te krijgen over rechtsvragen die uitsluitend van theoretisch of principieel belang worden geacht. Dat appellante minder post wenst of dat zij – of haar zaakwaarnemer – zich niet wenst te verdiepen in berekeningen, is geen belang waarvoor het rechtsmiddel van hoger beroep is gegeven. Nu door de gemachtigden van appellante niet is bestreden dat het hoger beroep niet kan leiden tot een hogere – doch zelfs zal leiden tot een lagere – uitkering, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1473 WWAJ, 15/1649 WWAJ

Datum uitspraak: 24 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 januari 2015, 14/2795 en 14/6327 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J. de Rijke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Voor appellante zijn
mr. De Rijke en [naam gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 30 juni 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend. Bij wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) zijn de bepalingen van de Wajong met ingang van
1 januari 2010 ondergebracht in hoofdstuk 3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010), inmiddels sinds 1 januari 2015 weer Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) geheten. Het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong 2010.

1.2.

Sinds juli 2012 heeft appellante inkomsten uit arbeid. Op grond van deze inkomsten is haar uitkering met toepassing van artikel 3:48 van de Wajong 2010 gedeeltelijk uitbetaald. Vanaf 1 januari 2013 heeft het Uwv maandelijks een berekening gemaakt van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, rekening houdend met haar inkomsten uit arbeid. Appellante verwierf deze inkomsten uit een tweetal dienstbetrekkingen, waarbij één werkgever haar loon per maand en de andere werkgever haar loon per vier weken uitbetaalde. Het Uwv neemt in zijn berekening per maand in aanmerking de inkomsten op de werkdagen van de uitbetaalde vier-wekenperiode die in deze maand vallen. Door deze berekeningswijze verschilt de uitkomst naar mate er meer of minder werkdagen in een maand vallen. In enkele maanden kwam appellantes Wajong-uitkering tot uitbetaling als ware appellante 25 tot 35% arbeidsongeschikt. In de overige maanden kwam de uitkering niet tot uitbetaling.

1.3.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen besluiten van 7 januari 2014 en
14 juli 2014, waarin de berekening van haar uitkering over respectievelijk oktober en november 2013 en over juni 2014 is neergelegd. Voor november 2013 is haar uitkering daarbij op € 14,27 per dag vastgesteld, voor oktober 2013 en juni 2014 op nihil. De bezwaren zijn bij de bestreden besluiten van 27 maart 2014 en 14 juli 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1.

Mr. De Rijke heeft namens appellante bepleit de berekening van appellantes uitkering, rekening houdend met haar inkomsten, een maal per jaar uit te voeren. Appellante, dan wel degenen die haar zaken waarnemen, behoeft of behoeven zich dan niet maandelijks te bekommeren om de berekening van haar uitkering, zo heeft de gemachtigde gesteld.

3.2.

Desgevraagd heeft het Uwv een berekening uitgevoerd waarbij het loon dat appellante bij haar werkgever per vier weken verdient, met de breuk 13/12 is herleid naar een maandinkomen. Rekening houdend met dit inkomen, zou de uitkering van appellante niet tot uitbetaling komen.

3.3.

Aan de gemachtigden van appellante is de vraag voorgelegd welk belang appellante bij haar hoger beroep heeft, nu dit er slechts toe kan leiden dat haar in het geheel geen uitkering
– ook niet ten dele over enkele maanden – zal worden uitbetaald. Mr. De Rijke heeft aangevoerd dat de berekening per jaar tot minder post en een inzichtelijker berekening zal leiden. De gemachtigde [naam gemachtigde] heeft opgemerkt dat het niet de bedoeling is dat appellante minder uitkering krijgt. Hij wil slechts duidelijkheid over de wijze van berekening.

3.4.

Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2006:AW9247, is het rechtsmiddel van (hoger) beroep niet bedoeld om een gerechtelijke uitspraak te krijgen over rechtsvragen die uitsluitend van theoretisch of principieel belang worden geacht. Dat appellante minder post wenst of dat zij – of haar zaakwaarnemer – zich niet wenst te verdiepen in berekeningen, is geen belang waarvoor het rechtsmiddel van hoger beroep is gegeven. Nu door de gemachtigden van appellante niet is bestreden dat het hoger beroep niet kan leiden tot een hogere – doch zelfs zal leiden tot een lagere – uitkering, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2017.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) A.M.C. de Vries

SS