Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
15/4545 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit is ten onrechte een woonlandkorting toegepast op de kinderbijslag ten behoeve van kind 2 over het vierde kwartaal van 2012. Over het eerste kwartaal van 2013 is de woonlandkorting in overeenstemming met de Wwsz en het koninklijk besluit van 25 april 2012 toegepast. Niet is gebleken dat de woonlandkorting over het eerste kwartaal van 2013 strijdig is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur of eenieder verbindende bepalingen van verdragsrecht. In dit verband wordt volstaan met een verwijzing naar eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180.

Wetsverwijzingen
Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid
Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid V
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4545 AKW

Datum uitspraak: 24 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
26 mei 2015, 15/673 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Colgecen-Senol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Op 10 februari 2017 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is voor appellante mr. Colgecen-Senol verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. Uitgegaan wordt van de volgende – niet weersproken – feiten.

1.1.

Appellante heeft vijf kinderen uit haar huwelijk met [naam echtgenoot]: [kind 1] (geboren [in 1] 1993), [kind 2] (geboren [in 2] 1995), [kind 3] (geboren [in 4] 2002), [kind 4] (geboren [in 5] 2004) en [kind 5] (geboren [in 6] 2006). Ten tijde van belang woonden de drie jongste van deze kinderen bij appellante en waren [kind 1] en [kind 2] uitwonend.
volgde onderwijs in Egypte.

1.2.

Bij formulier van 30 december 2011 heeft appellante de Svb gemeld dat zij sinds december 2011 gescheiden leeft van haar echtgenoot. In verband daarmee heeft zij de Svb gevraagd om de kinderbijslag voor haar vijf kinderen voortaan over te maken naar haar persoonlijke bankrekening.

1.3.

Bij besluit van 13 juni 2012 heeft de Svb te kennen gegeven dat appellante vanaf het eerste kwartaal van 2012 ten behoeve van haar drie jongste kinderen recht heeft op € 646,53 kinderbijslag per kwartaal en dat deze kinderbijslag wordt uitbetaald op haar persoonlijke bankrekening. Tevens is bij besluit van 13 juni 2012 meegedeeld dat vanaf het eerste kwartaal van 2012 geen kinderbijslag aan appellante wordt uitbetaald ten behoeve van [kind 1] en [kind 2]. Daartoe is in aanmerking genomen dat er vanaf het eerste kwartaal van 2012 geen recht meer bestaat op kinderbijslag voor [kind 1], omdat [kind 1] op de eerste dag van dat kwartaal ouder was dan 17 jaar. Verder is in aanmerking genomen dat niet appellante, maar haar echtgenoot de onderhoudsbijdrage voor [kind 2] voldoet. Daarom is de kinderbijslag voor [kind 2] (uiteindelijk) vanaf het eerste kwartaal van 2012 aan de echtgenoot van appellante toegekend en uitbetaald.

1.4.

In december 2012 is de echtgenoot van appellante vanuit Nederland gemigreerd naar Turkije. In verband daarmee heeft appellante de Svb verzocht om de kinderbijslag voor [kind 2] vanaf het vierde kwartaal van 2012 over te maken naar haar persoonlijke bankrekening. Daartoe heeft de echtgenoot van appellante de Svb uitdrukkelijk schriftelijk gemachtigd.

1.5.

Bij besluit van 1 mei 2013 heeft de Svb afwijzend beslist op het verzoek van appellante om de kinderbijslag voor [kind 2] vanaf het vierde kwartaal van 2012 over te maken naar haar persoonlijke bankrekening. Daarbij is verwezen naar het onder 1.3 weergegeven besluit van 13 juni 2012.

1.6.

Bij beslissing van 19 december 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 mei 2013 gegrond verklaard voor wat betreft het vierde kwartaal van 2012 en het eerste kwartaal van 2013, in die zin dat is besloten appellante over deze twee kwartalen ten behoeve van [kind 2] op grond van de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz) 40% uit te betalen van het maximale bedrag aan dubbele kinderbijslag. Daarnaast heeft de Svb vergoedingen aan appellante toegekend wegens gederfde rente en kosten van rechtsbijstand. In het bestreden besluit is gerefereerd aan de uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180. In deze uitspraak is geoordeeld dat de in de betreffende zaak aangevochten verlaging van kinderbijslag op grond van de Wwsz voor kinderen die in Egypte wonen, niet in strijd is met het ingeroepen internationale recht.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar aanleiding van klachten van appellante over de duur van de bezwaarprocedure is vastgesteld dat er per saldo geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

3.1.

Uit het verhandelde ter zitting wordt afgeleid dat het hoger beroep van appellante zich nog uitsluitend richt tegen de toepassing bij het bestreden besluit van een woonlandfactor van 40% over het vierde kwartaal van 2012 en het eerste kwartaal van 2013. Ter onderbouwing van het hoger beroep van appellante heeft haar gemachtigde verwezen naar een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.2.

De Svb heeft gevraagd om een bevestiging van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van vragen van de Raad over de uitleg en toepassing die de Svb geeft aan de overgangsregeling voor de inwerkingtreding van de Wwsz, is er van de zijde van de Svb aan herinnerd dat de echtgenoot van appellante en niet appellante zelf ten tijde van belang recht had op kinderbijslag ten behoeve van [kind 2].

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Bij artikel I van de Wwsz is artikel 12 van de Algemene Kinderbijslagwet gewijzigd. Hierdoor wordt aan de rechthebbende wiens kind niet in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie (EU), een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), dan wel Zwitserland woont, een uitkering verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het voor Nederland vastgestelde bedrag aan kinderbijslag. Bij de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 (Stcrt. 2012, nr. 8306) en de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2013 (Stcrt. 2012, nr. 21314) is dit percentage voor Egypte over 2012 en 2013 vastgesteld op 40%.

4.2.

In artikel V van de Wwsz is bepaald dat de artikelen van deze wet in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit van 25 april 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van de Wwsz (Stb. 2012, 206) is bepaald dat artikel I van de Wwsz met een uitzondering voor lopende gevallen in werking treedt met ingang van 1 juli 2012. Voor zover het personen betreft die voor 1 juli 2012 recht hebben op kinderbijslag, treedt artikel I van de Wwsz in werking met ingang van
1 januari 2013.

4.3.

In het onderhavige geval is ten behoeve van [kind 2] aan de echtgenoot van appellante over de eerste drie kwartalen van 2012 dubbele kinderbijslag zonder woonlandkorting toegekend en uitbetaald. De echtgenoot van appellante heeft appellante op 10 december 2012 gemachtigd al zijn financiële zaken te regelen. Appellante heeft vervolgens aan de Svb verzocht de aan haar echtgenoot toekomende kinderbijslag voor [kind 2] over het vierde kwartaal van 2012 aan appellante uit te betalen. Aangezien haar echtgenoot over dit kwartaal nog rechthebbende was, wordt deze situatie bestreken door de overgangsregeling zoals beschreven onder 4.2. Het voorgaande betekent dat bij het bestreden besluit ten onrechte een woonlandkorting is toegepast op de kinderbijslag ten behoeve van [kind 2] over het vierde kwartaal van 2012. Over het eerste kwartaal van 2013 is de woonlandkorting in overeenstemming met de Wwsz en het koninklijk besluit van 25 april 2012 toegepast. Niet is gebleken dat de woonlandkorting over het eerste kwartaal van 2013 strijdig is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur of eenieder verbindende bepalingen van verdragsrecht. In dit verband wordt volstaan met een verwijzing naar eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt voor zover deze uitspraak betrekking heeft op het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2012. Daarom moet de aangevallen uitspraak in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2012, het bestreden besluit in zoverre vernietigen, en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellante recht heeft op uitbetaling van dubbele kinderbijslag waarop geen woonlandkorting is toegepast over het vierde kwartaal van 2012. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Er is aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op in totaal € 1.485,-, waarvan € 495,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en € 990,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2012;

  • -

    verklaart het beroep in zoverre gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

  • -

    bepaalt dat appellante recht heeft op uitbetaling van dubbele kinderbijslag voor [kind 2] waarop geen woonlandkorting is toegepast over het vierde kwartaal van 2012;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.485,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van
A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2017.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) A.M.C. de Vries

NW