Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
15/6919 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldig nalatig. De aanslag over 2008 is ambtshalve vastgesteld en appellant heeft de verschuldigde premies volksverzekeringen niet – volledig – betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6919 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

4 september 2015, 15/1485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 23 maart 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.H. Vader, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Appellant en zijn gemachtigde zijn daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Belastingdienst heeft aan de Svb meegedeeld dat appellant over het jaar 2008 een bedrag van € 2.890,- aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen niet heeft betaald. De Svb heeft appellant bij brief van 11 september 2014 geïnformeerd over de verkregen informatie van de Belastingdienst en hem meegedeeld hoe hij kan voorkomen schuldig nalatig verklaard te worden.

1.2.

Bij besluit van 26 september 2014 heeft de Svb appellant 100% schuldig nalatig verklaard over het jaar 2008. Daarbij is nog opgemerkt dat de schuldig nalatigheid ongedaan wordt gemaakt indien de verschuldigde premie, met een opslag van 5%, voor 18 februari 2019 aan de Belastingdienst wordt betaald.

1.3.

Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 september 2014. Daarbij is aangevoerd dat het inkomen van appellant over 2008 te hoog is vastgesteld door de Belastingdienst. Voorts is de op 29 juni 2011 vastgestelde – ambtshalve – aanslag over 2008 overgelegd.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar gericht tegen het besluit van 26 september 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij over het jaar 2008 geen aangifte heeft kunnen doen, omdat hij vanaf maart 2009 enige jaren gedetineerd is geweest. Verder is aangevoerd dat zijn inkomen in 2008 niet dusdanig was dat sprake is van een belastingschuld.

3.2.

De Svb heeft meegedeeld dat van de Belastingdienst is vernomen dat inmiddels een deel van de belastingschuld van appellant is betaald, maar dat nog steeds sprake is van schuldige nalatigheid. Voorts is bevestigd dat sprake is geweest van een ambtshalve aanslag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil is of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellant schuldig nalatig is over het jaar 2008.

4.2.

De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd op de artikelen 61 en 62 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Artikel 61 van de Wfsv luidt, voor zover van belang, aldus:

“1. Indien een premieplichtige heeft nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, beslist de SVB dat sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet, behoudens voor zover de premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden.

2. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval genomen indien:

a. de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen:”.

4.3.

Vastgesteld moet worden dat uit de door appellant verstrekte gegevens blijkt dat de aanslag over 2008 ambtshalve is vastgesteld en dat appellant de verschuldigde premies volksverzekeringen niet – volledig – heeft betaald. Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraken van 27 augustus 2009 en 10 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7419 en ECLI:NL:CRVB:2004:AR7737, betekent dit dat reeds hieruit volgt dat appellant over dat jaar schuldig nalatig is. Hetgeen verder namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, kan hieraan niet afdoen.

4.4.

Voorts wordt – ten overvloede – nog opgemerkt dat ook wanneer sprake zou zijn geweest van een niet ambtshalve aanslag over 2008, de stelling van appellant dat de aanslag onjuist is vastgesteld, ook niet had kunnen leiden tot een ander oordeel. In artikel 62 van de Wfsv is namelijk bepaald dat het beroep tegen het schuldig nalatig stellen niet gegrond kan zijn op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Indien appellant van mening is dat de Belastingdienst ten onrechte een – ambtshalve – aanslag over 2008 heeft opgelegd, dan dient hij zich ter zake te wenden tot de Belastingdienst.

4.5.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM