Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/1771 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een nabestaandenuitkering. Appellante kan niet als nabestaande worden aangemerkt, nu zij op het moment van overlijden van haar partner niet met hem gehuwd was. De vergelijking met de Algemene wet inzake rijksbelastingen gaat niet op, omdat die wet een hardheidsclausule heeft, terwijl de ANW een dergelijke clausule niet kent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1771 ANW

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 februari 2016, 15/7614 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Filipijnen (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M.L. Martens-Posthumus hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Namens appellante is verschenen mr. Martens-Posthumus. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is woonachtig in de Filipijnen en heeft een relatie gehad met de in Nederland wonende [partner] (hierna: partner). Uit hun relatie is [in] 2014 een dochter geboren. De dochter woont bij appellante. Op 9 maart 2015 is de partner in Nederland overleden. Appellante heeft aan de Svb verzocht om een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan haar toe te kennen.

1.2.

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft de Svb de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering afgewezen op de grond dat appellante geen nabestaande is in de zin van de ANW, omdat zij ten tijde van het overlijden van haar partner niet met hem was gehuwd of samenwoonde. Verder is aan appellante meegedeeld dat geen recht bestaat op een halfwezenuitkering omdat deze uitkering met ingang van 1 juli 2013 is komen te vervallen.

1.3.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat zij, vooruitlopend op het behalen van haar inburgeringscursus, op 10 april 2015 in het huwelijk zou treden met haar partner. Zij is door haar partner financieel onderhouden, maar heeft geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren wegens het in de Filipijnen af te leggen inburgeringsexamen. Appellante heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule om alsnog in aanmerking te komen voor de gevraagde nabestaandenuitkering.

1.4.

Bij besluit van 28 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2015 ongegrond verklaard. Daarbij is gehandhaafd het standpunt dat appellante niet als nabestaande is aan te merken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat niet in geschil is dat appellante niet als nabestaande is aan te merken. Evenmin is in geschil dat de halfwezenuitkering met ingang van 1 juli 2013 is komen te vervallen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de ANW dwingendrechtelijk van aard is en geen bepaling kent om uit hardheidsoverwegingen een uitkering toe te kennen, terwijl daarop geen recht bestaat. De regels bieden evenmin een mogelijkheid om op grond van de redelijkheid en billijkheid een uitkering toe te kennen. De rechtbank kan niet in afwijking van de wettelijke regeling een nabestaandenuitkering toekennen.

3. In hoger beroep heeft appellante haar stelling herhaald dat zij in afwijking van de bepalingen in de ANW toch recht heeft op een nabestaandenuitkering. Appellante heeft erop gewezen dat de Staatssecretaris van Financiën in een bijna identieke situatie bij de toepassing van de Successiewet wel gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid en ziet niet in waarom de Svb geen gebruik kan maken van die bevoegdheid.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet als nabestaande zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de ANW kan worden aangemerkt, nu zij op het moment van overlijden van haar partner niet met hem gehuwd was. Evenmin is in geschil dat er niet een situatie zoals bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de ANW aan de orde is.

4.3.

Betreffende het standpunt van appellante dat de Svb gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van de bepalingen in de ANW een uitkering toe te kennen wordt hetgeen de rechtbank daarover heeft geoordeeld volledig onderschreven. De vergelijking met de Algemene wet inzake rijksbelastingen gaat niet op, omdat die wet een hardheidsclausule heeft, terwijl de ANW een dergelijke clausule niet kent. Het gaat de taak van de rechter te buiten om de Svb, met een beroep op de redelijkheid en billijkheid, in weerwil van de bepalingen van de ANW op te dragen een nabestaandenuitkering toe te kennen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.S.E.S. Umans

HD