Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
15/2453 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2453 WWB, 15/2454 WWB

Datum uitspraak: 3 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 maart 2015, 14/4236 en 15/776 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.G.H. van der Kolk, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Namens appellanten is mr. Van der Kolk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.D.G. de Vries.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 19 maart 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Appellante woont op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Appellant stond ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 2] (adres van appellant) en had een betaalde baan.

1.2.

Na diverse anonieme meldingen dat appellanten zouden samenwonen op het uitkeringsadres heeft een medewerker van de gemeente Vlagtwedde, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (boa), een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. De boa heeft dossieronderzoek gedaan, de BRP geraadpleegd, in de periode tussen 21 november 2013 en 19 december 2013 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en tussen 12 november 2013 en 27 december 2013 bij het adres van appellant. Voorts heeft de boa informatie opgevraagd bij de waterbedrijven Groningen en Drenthe, bij Enexis netbeheer, bij Schuldsupport en bij de werkgever van appellant. Op 14 januari 2014 hebben toezichthouders een huisbezoek bij appellante afgelegd, waar appellante ook een verklaring heeft afgelegd, en buurtbewoners bij het uitkeringsadres en het adres van appellant gehoord. Op 13 februari 2014 hebben toezichthouders appellante en appellant gehoord, in aanwezigheid van mr. Van der Kolk. De boa heeft de resultaten van het onderzoek neergelegd in een rapport van 31 maart 2014.

1.3.

De bevindingen uit het onderzoek vormden voor het college aanleiding om bij besluit van 24 januari 2014 de bijstand van appellante per 1 januari 2014 op te schorten. De bevindingen vormden voor het college voorts aanleiding om bij besluit van 1 april 2014 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 in te trekken en de kosten van de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 januari 2014 verstrekte bijstand voor een bedrag van € 15.374,73 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres en dat appellante de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17,

eerste lid, van de WWB heeft geschonden door hiervan geen melding te doen bij het college.

1.4.

Bij besluit van eveneens 1 april 2014 heeft het college het in 1.3 genoemde bedrag mede van appellant teruggevorderd op grond van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de WWB.

1.5.

Bij besluiten van 12 augustus 2014 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 24 januari 2014 en 1 april 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank een overzicht gegeven van bevindingen uit het onderzoek en geoordeeld dat, gelet op het samenstel van factoren, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden. Dat appellanten niet de bedoeling hebben gehad een gezamenlijke huishouding te voeren en het mogelijk niet als zodanig ervaren hebben, maakt het samenstel van factoren niet anders en leidt voor de rechtbank niet tot de conclusie dat, zoals appellanten stellen, enkel sprake is geweest van mantelzorg. De tegenwerpingen van appellanten zijn niet van dien aard dat ze doen twijfelen aan de oordeelsvorming van het college.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze ziet op de intrekking en de (mede-)terugvordering. Daartoe hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank, gelet op het feit dat in het beroepschrift gedetailleerd op een aantal bewijsmiddelen van het college is ingegaan, niet met de in 2 weergegeven algemene motivering had mogen volstaan. Niet kan worden gecontroleerd of sprake is van een onafhankelijke rechterlijke toets, zodat de uitspraak een motiveringsgebrek kent.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode met betrekking tot de intrekking loopt in dit geval van 1 januari 2013 tot en met 1 april 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. In dit geval rust daarom op het college de last om aannemelijk te maken dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres voerden.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

4.4.

De enkele omstandigheid dat de rechtbank niet afzonderlijk is ingegaan op alle argumenten en feitelijke omstandigheden waarop betrokkenen zich beroepen, maakt op zichzelf niet dat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. Appellanten hebben wel terecht aangevoerd dat de rechtbank niet met de gegeven algemene motivering had mogen volstaan, in die zin dat de rechtbank ten onrechte niet afzonderlijk heeft beoordeeld of appellanten het hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en, zo ja, of appellanten blijk hebben gegeven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Dit kan er echter niet toe leiden dat het hoger beroep slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.5.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van ieder van de betrokkenen bevindt. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556. Niet in geschil is dat appellante haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

4.5.1.

De bevindingen uit het onderzoek bevatten voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat ook appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Bij achttien waarnemingen tussen 21 november 2013 en 19 december 2013 stond de privéauto van appellant steeds bij het uitkeringsadres. Bij de meeste waarnemingen stond daar tevens de bedrijfsbus waarvan appellant gebruik maakte. Uit gegevens van de werkgever van appellant blijkt dat tussen 4 januari 2013 en 15 januari 2014 de bedrijfsbus op 229 dagen aan het begin en aan het eind van de dag bij of in de buurt van het uitkeringsadres geparkeerd stond. Voorts heeft appellant sleutels van de woning op het uitkeringsadres. Bij het huisbezoek hebben de controleurs verder vastgesteld dat in de tuinschuur veel (elektrisch) gereedschap van appellant lag en dat administratie van appellant in huis aanwezig was. Enkele buurtbewoners van het uitkeringsadres hebben verklaard dat appellant, althans een forse man met een bedrijfsbusje, op het uitkeringsadres woont. Voorts is van belang dat buurtbewoners van het adres van appellant hebben verklaard dat zij appellant niet of nauwelijks aantreffen. Verder was op het adres van appellant in 2013 een waterverbruik van 8 m³, wat zeer laag is, gelet op het gemiddelde waterverbruik voor eenpersoonshuishoudens van 50 m³ per jaar.

4.5.2.

De verklaringen die appellanten hebben aangevoerd voor de geconstateerde feiten leiden niet tot een ander oordeel. De stelling dat de aanwezigheid van de bedrijfsauto bij het uitkeringsadres zich laat verklaren door het feit dat appellant ’s ochtends met de privéauto naar [adres 1] kwam, vervolgens met de bedrijfsauto naar en van het werk reed en ’s avonds weer met de privéauto naar [adres 2] reed, is ongeloofwaardig, gelet op de extra afstand

(circa 26 kilometer en een half uur reistijd) en gelet op de omstandigheid dat bij de waarnemingen in november 2013 een aantal keren ’s ochtends is waargenomen dat de autoruiten van de privéauto bevroren waren. De omstandigheid dat sommige buurtbewoners appellant niet van een getoonde foto herkennen, is onvoldoende om te oordelen dat verklaringen van de buurtbewoners niet mede kunnen worden betrokken bij de vaststelling of appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De gestelde omstandigheid dat appellant zich spaarzaam doucht, vormt voorts onvoldoende verklaring voor het zeer lage waterverbruik.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.1.

Niet gebleken is dat sprake is van financiële verstrengeling. De bevindingen van het onderzoek vormen wel voldoende grondslag voor de vaststelling dat appellanten in zorg voor elkaar voorzagen. Appellant heeft het tuinhuisje en de wandkast in de woning op het uitkeringsadres geplaatst, doet het tuinonderhoud van appellante en brengt appellante naar onder meer het ziekenhuis, waarbij appellant verlof opneemt indien appellante naar het ziekenhuis moet. Appellante helpt appellant met zijn financiële zaken, onder andere door schuldeisers en budgetbeheer te bellen. Zij heeft toegang tot de e-mailaccount van appellant. Voorts heeft appellant verklaard dat soms hij en soms appellante kookt, stofzuigt, afwast en de brandstof voor zijn auto betaalt. Verder doen appellanten samen boodschappen, vieren zij samen de feestdagen en gaan zij samen naar verjaardagen en op familiebezoek.

4.7.

Uit 4.5.1, 4.5.2 en 4.6.1 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. Appellante heeft hiervan ten onrechte geen melding gemaakt bij het college. Het college heeft daarom terecht de bijstand van appellante over de te beoordelen periode ingetrokken, de kosten van de verleende bijstand van appellante teruggevorderd en deze kosten mede van appellant teruggevorderd.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover die is aangevochten, moet, gelet op 4.4 met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.L. Boxum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.A.E. Bon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD