Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
16/923 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college was niet bevoegd om appellant ontslag te verlenen. Anders dan bij een ontslag wegens ongeschiktheid of wegens reorganisatie op grond van artikel 8:6 respectievelijk artikel 8:3 van de CAR/BUWO, moet bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/BUWO in ieder geval op het moment dat het ontslagbesluit wordt genomen, duidelijk zijn dat herplaatsen elders binnen de gemeentelijke organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat is te verwachten. Deze conclusie is te vroeg getrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/923 AW

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 december 2015, 15/4251 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [naam gemeente] (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het college hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Kroezen en

ing. C.A.G. Garritsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als ICT-beheerder bij de gemeente [naam gemeente].

1.2.

Vanaf 2002/2003 ontstonden tussen appellant en zijn leidinggevende en tussen appellant en zijn collega’s problemen in de samenwerking. Appellant is diverse keren aangesproken op zijn manier van communiceren en op zijn houding en gedrag. Met appellant zijn medio november/december 2012 gesprekken gevoerd teneinde de onderlinge samenwerking te verbeteren. G heeft in maart 2013 voorgesteld om binnen de gemeente te kijken naar een andere werkplek voor appellant. Appellant heeft geweigerd hieraan mee te werken.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2013 is appellant met ingang van 1 juli 2014 ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebreken. Nadat appellant daartegen bezwaar had gemaakt, heeft het college dat ontslagbesluit bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2014 ingetrokken. Vervolgens hebben G, appellant, zijn toenmalige gemachtigde en P&O-medewerker K gesproken over de wijze waarop de werkhervatting van appellant vorm gegeven kon worden. Er is overleg geweest over een zogenoemd afstemmingsformulier, waarin afspraken zouden worden neergelegd over de inhoud van de werkzaamheden van appellant en de wijze waarop deze moesten worden uitgevoerd. Tijdens de gesprekken werd duidelijk dat los van de werkinhoud er nog kwesties waren die moesten worden uitgesproken om een toekomstige samenwerking met appellant mogelijk te maken. Om dit te bewerkstelligen en om overeenstemming te bereiken over het afstemmingsformulier zijn G en appellant een mediationtraject gestart.

1.4.

Toen de mediation uiteindelijk geen positief resultaat had opgeleverd, zag het college vervolgens geen mogelijkheid appellant terug te plaatsen in zijn eigen functie. Om die reden is appellant bij besluit van 29 juli 2014 ontslag op andere gronden verleend op grond van artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Bredase Uitwerkingsovereenkomst (CAR/BUWO) met ingang van zes maanden na het bekendmaken van dat besluit. Daarbij is meegedeeld dat voorafgaand aan het ontslag met appellant een

re-integratietraject zal worden doorlopen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 10d van de CAR/BUWO. Indien de re-integratie tot een interne herplaatsing leidt, zal het ontslagbesluit worden ingetrokken. Indien de re-integratie binnen de termijn van zes maanden leidt tot een functie buiten de organisatie, zal de ontslagdatum dienovereenkomstig worden gewijzigd. Indien appellant na zes maanden ontslag wordt verleend, zonder dat hij een andere functie heeft gevonden, wordt aan hem een ontslaguitkering toegekend als ware hem ontslag verleend op grond van artikel 8:6 van de CAR/BUWO. Voor een ontslagvergoeding zag het college geen aanleiding nu het ontslag niet in overwegende mate het gevolg is van de handelwijze van het college.

1.5.

Bij besluit van 11 mei 2015 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juli 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de verhouding met appellant zodanig is verstoord dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat de samenwerking wordt voortgezet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/BUWO worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking (uitspraak van

28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198).

3.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:58) is voor de vaststelling of het bestuursorgaan bevoegd is om tot ontslagverlening over te gaan de situatie ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit bepalend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op de relevante feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de datum waarop het ontslagbesluit is genomen en dat de situatie op die datum, in dit geval 29 juli 2014, bepalend is.

3.3.

Appellant heeft betoogd dat het college niet bevoegd was om hem ontslag te verlenen. Dit betoog slaagt. Hiervoor is van betekenis dat het college uitdrukkelijk het niet kunnen terugplaatsen in de eigen functie ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag. Daarmee werd de mogelijkheid tot interne herplaatsing open gelaten. Dat die mogelijkheid open werd gelaten blijkt ook uit het bieden van een re-integratie-traject, dat voorzag in een verplichting van het college om zich niet alleen extern in te spannen voor een herplaatsing van appellant, maar ook intern. Onder deze omstandigheden is de conclusie dat voortzetting van het dienstverband met appellant in redelijkheid niet van het college kon worden gevergd, op dat moment niet gerechtvaardigd. In ieder geval is deze conclusie te vroeg getrokken.

3.4.

Het college heeft erop gewezen dat appellant in maart 2013 heeft geweigerd om mee te werken aan een overplaatsing binnen de gemeente en dat het mediationtraject begin 2014 niet succesvol is afgerond. Dit maakt het voorgaande niet anders. Dat de re-integratie-inspanningen van het college na het ontslagbesluit van 29 juli 2014 niet succesvol zijn geweest, kan evenmin aan de onder 3.3 genoemde conclusie afdoen. Anders dan bij een ontslag wegens ongeschiktheid of wegens reorganisatie op grond van artikel 8:6 respectievelijk artikel 8:3 van de CAR/BUWO, moet bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/BUWO in ieder geval op het moment dat het ontslagbesluit wordt genomen, hier dus 29 juli 2014, duidelijk zijn dat herplaatsen elders binnen de gemeentelijke organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat is te verwachten.

3.5.

Gelet op het voorgaande kunnen de overige beroepsgronden buiten bespreking blijven. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 29 juli 2014 herroepen.

4. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 990,- in bezwaar en € 990,- in beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 31,80 in hoger beroep voor gemaakte reiskosten, in totaal € 2.011,80.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 11 mei 2015;

  • -

    herroept het besluit van 29 juli 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 251,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.011,80.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C. Moustaïne

HD