Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
16/1775 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroepen van appellanten: Naar het oordeel van de Raad hadden appellanten wel degelijk belang bij beoordeling van de bestreden besluiten II en de nadere besluiten. Appellanten hebben immers beroep moeten instellen om de bestreden besluiten I aan te vechten. Incidenteel hoger beroepen van de korpschef: De korpschef kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van samenhangende zaken. De rechtbank had bij de berekening van de proceskosten de wegingsfactor 1 moeten toepassen, die ingevolge C2 van de bijlage bij het Bbp gehanteerd wordt bij minder dan vier samenhangende zaken. De Raad zal – doende wat de rechtbank zou behoren te doen – de bestreden besluiten II en de nadere besluiten gegrond verklaren en de bestreden besluiten II van 8 april 2015 wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de verzoeken om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren zijn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1775 AW, 16/1776 AW, 16/2846 AW en 16/2853 AW

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 19 januari 2016, 13/6795 en 13/6796 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellante 1] te [woonplaats 1] (appellante 1)
[Appellante 2] te [woonplaats 2] (appellante 2)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

De korpschef heeft verweerschriften ingediend en incidenteel hoger beroepen ingesteld.

Appellanten hebben hun zienswijze over de incidenteel hoger beroepen naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn in 2009 aangemeld voor het opleidingstraject “In Beeld” met als doel te worden opgeleid tot [functie A]. Omdat het noodzakelijk is om gedurende de opleiding executieve werkzaamheden te verrichten is de aanstellingsstatus van appellanten gewijzigd van een (vast) dienstverband naar een (tijdelijk) dienstverband als aspirant. Voor het geval de opleiding voortijdig zou worden beëindigd of niet voldaan zou worden aan de eisen van geschiktheid of bekwaamheid, gold een terugkeergarantie.

1.2.

In verband met de invoering van de Nationale politie en een personele reorganisatie konden de deelnemers aan het opleidingstraject het ingezette traject niet volgens de oorspronkelijke planvorming afronden en niet solliciteren naar een leidinggevende functie bij de Nationale politie. Om voor appellanten tot een passende oplossing te komen is bij besluiten van 6 respectievelijk 28 juni 2013 besloten dat de executieve status wordt gehandhaafd, met ingang van 1 juni 2013 de aspirantenstatus wordt beëindigd in verband met het afronden van de opleiding, per dezelfde datum een benoeming in de oorspronkelijke ATH-functie (schaal 7) volgt en de politierang van [rang] wordt toegekend.

1.3.

Bij besluiten van 20 november 2013 (bestreden besluiten I) heeft de korpschef de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 6 en 28 juni 2013 ongegrond verklaard.

1.4.

Hangende de beroepen tegen de bestreden besluiten I heeft de korpschef bij besluiten van 16 oktober 2014 (bestreden besluiten II) besloten om op de besluiten van 6 respectievelijk

28 juni 2013 terug te komen in die zin dat appellanten, na kwalificatie voor het Management Development (MD) beraad, persoonlijk worden bevorderd naar schaal 9 en de rang van inspecteur wordt toegekend. Indien er geen sprake is van een positief resultaat in het

MD-beraad zal de passende oplossing van de besluiten van 6 respectievelijk 28 juni 2013 weer herleven.

1.5.

Omdat sprake was van een positief MD-beraad heeft de korpschef bij besluiten van

8 april 2015 - die ter uitvoering van de bestreden besluiten II zijn genomen - appellanten met ingang van 1 januari 2014 bevorderd naar schaal 9 en de rang van inspecteur toegekend.

1.6.

Bij brief van 10 juni 2015 hebben appellanten de rechtbank laten weten dat met de besluiten van 8 april 2015 volledig tegemoet is gekomen aan het materiële geschil maar dat appellanten het beroep niet intrekken omdat de korpschef heeft geweigerd de kosten, die zij in verband met de behandeling van de bezwaren hebben moeten maken, te vergoeden.

1.7.

In reactie hierop heeft de korpschef aan de rechtbank medegedeeld dat naar zijn mening, vanwege de onlosmakelijke verbondenheid van de besluiten, de primaire besluiten in stand zijn gebleven en niet onrechtmatig zijn genomen en dit evenzeer geldt voor de bestreden besluiten I, zodat er geen grond bestaat om over te gaan tot vergoeding van de kosten die appellanten in verband met de behandeling van de bezwaren hebben moeten maken. Voorts heeft de korpschef gesteld dat sprake is van samenhangende zaken zodat er geen aanleiding is om 1,5 punt toe te kennen bij de veroordeling in de proceskosten.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk verklaard en de korpschef veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft zij, kort gezegd en voor zover hier van belang, vastgesteld dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten I van rechtswege mede betrekking hebben op de bestreden besluiten II. Voorts heeft zij vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de korpschef met de nadere besluiten van 8 april 2015 volledig tegemoet is gekomen aan het materiële geschil. Appellanten hebben dan ook geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellanten de beroepen niet hebben ingetrokken. Om die reden zijn de beroepen dan ook niet-ontvankelijk. Omdat de beroepen volgens de rechtbank niet van rechtswege mede betrekking hebben op de besluiten van 8 april 2015 ziet zij geen aanleiding deze besluiten te bespreken. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet tot vernietiging van (één of meer van) de bestreden besluiten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is tot toekenning van vergoeding van de kosten in de bezwarenprocedures. Gelet op artikel 8:75a van de Awb ziet zij wel aanleiding om de korpschef te veroordelen in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten heeft de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor elk der appellanten vastgesteld op € 490,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).

3.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het procesbelang van appellanten was gelegen in een oordeel van de rechtbank omtrent de afwijzing van de korpschef van het verzoek van appellanten om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. Zij stellen zich daarbij op het standpunt dat, gelet op de inhoud van de bestreden besluiten II en de nadere besluiten van 8 april 2015, de bestreden besluiten I vernietigd hadden moeten worden.

3.2.

De incidenteel hoger beroepen van de korpschef richten zich tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de veroordeling in de proceskosten van appellanten in de beroepen. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij het vaststellen van de proceskosten ten onrechte niet is uitgegaan van samenhangende zaken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De hoger beroepen van appellanten

4.1.

Over de vraag of de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard overweegt de Raad dat naar vaste rechtspraak (uitspraak van

24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) sprake is van voldoende procesbelang, indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.2.1.

De korpschef heeft aanleiding gezien de bestreden besluiten I niet te handhaven en daarvoor de bestreden besluiten II en de nadere besluiten van 8 april 2015 in de plaats te stellen. Met deze besluiten is alsnog aan de bezwaren van appellanten tegemoet gekomen, in die zin dat zij - naast handhaving van de executieve status - alsnog met ingang van 1 januari 2014 zijn bevorderd naar schaal 9 en aan hen de rang van inspecteur is toegekend. Aangezien niet is gebleken dat appellanten nog enig belang hadden bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten I, heeft de rechtbank de beroepen tegen die besluiten terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.2.2.

Naar het oordeel van de Raad hadden appellanten echter wel degelijk belang bij beoordeling van de bestreden besluiten II en de nadere besluiten. Appellanten hebben immers beroep moeten instellen om de bestreden besluiten I aan te vechten. Eerst hangende de beroepsfase zijn deze besluiten niet gehandhaafd en vervangen door nieuwe beslissingen op bezwaar en de aanvullende besluiten van 8 april 2015. Nu de rechtbank deze bestreden besluiten op grond van artikel 6:19 van de Awb bij haar beoordeling heeft betrokken en zij de besluiten van 8 april 2015 om dezelfde reden eveneens bij de beoordeling had dienen te betrekken, terwijl appellanten in bezwaar hadden verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase en deze vergoeding was uitgebleven, hadden appellanten belang bij een oordeel van de rechtbank daarover.

4.2.3.

Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan worden vergoed voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De besluiten van 6 en 28 juni 2013 zijn bij de bestreden besluiten II en de nadere besluiten gedeeltelijk niet gehandhaafd, namelijk voor zover betrekking hebbend op de benoeming in de oorspronkelijke ATH-functie (schaal 7) en de toekenning van de politierang van [rang], en dus herroepen. Met het herroepen van een inhoudelijk onjuist primair besluit is in beginsel de onrechtmatigheid daarvan en de verwijtbaarheid aan het bestuursorgaan gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat het onrechtmatige primaire besluit is genomen. Van dit laatste is geen sprake. Nu aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is voldaan heeft de korpschef ten onrechte vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen. Nu niet is gebleken van beletselen voor toekenning van de vergoeding van de kosten die appellanten in verband met de behandeling van de bezwaren hebben moeten maken, heeft de rechtbank de bestreden besluiten II en de nadere besluiten ten onrechte niet vernietigd voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is afgewezen.

4.3.

Gezien het voorgaande slagen de hoger beroepen van appellanten.

De incidenteel hoger beroepen van de korpschef

5.1.

De korpschef kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van samenhangende zaken. Artikel 3, tweede lid, van het Bpb luidt met ingang van 1 januari 2015 als volgt: “Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.” Op grond van het overgangsrecht, dat is opgenomen in artikel II van het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Bpb

(Stb. 2014, 411), heeft de wijziging van artikel 3 van het Bpb onmiddellijke werking.

5.2.

De zaken van appellanten die (nagenoeg) gelijktijdig door de rechtbank zijn behandeld en waarin mr. De Klein als gemachtigde is opgetreden, voldoen aan de voorwaarden om als samenhangende zaken te worden aangemerkt, zodat zij samen voor de toepassing van

artikel 2, eerste lid, aanhef onder a, van het Bpb in beroep worden beschouwd als één zaak. De rechtbank had dan ook bij de berekening van de proceskosten de wegingsfactor 1 moeten toepassen, die ingevolge C2 van de bijlage bij het Bbp gehanteerd wordt bij minder dan vier samenhangende zaken. Het uiteindelijk aldus berekende bedrag aan kosten van rechtsbijstand dient vervolgens te worden gedeeld door twee, het aantal samenhangende zaken. Dit heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten ten aanzien van de kosten die verband houden met de indiening van de beroepschriften.

5.3.

Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep van de korpschef eveneens.

6.1.

.1. Uit wat onder 4.2.1 tot en met 4.3 en 5.1 tot en met 5.3 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd. De Raad zal - doende wat de rechtbank zou behoren te doen - de beroepen tegen de bestreden besluiten I niet-ontvankelijk verklaren, de beroepen tegen de bestreden besluiten II en de nadere besluiten van 8 april 2015 gegrond verklaren en de bestreden besluiten II en de nadere besluiten van 8 april 2015 wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de verzoeken om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren zijn afgewezen.

6.2.

De Raad zal de korpschef, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb en in aanmerking genomen dat het hier gaat om samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Bpb, veroordelen in de kosten die appellante 1 en appellante 2 in verband met de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs tezamen hebben moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 990,- (1 punt indienen bezwaarschrift en 1 punt bijwonen hoorzitting, gewichtsfactor 1) wegens verleende rechtsbijstand, derhalve € 495,- per appellante.

7. De Raad ziet voorts aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellanten in zowel beroep als hoger beroep. Aan het gewicht van de zaak kent de Raad de wegingsfactor “gemiddeld” (1) toe, waarbij vanwege de in 5.1 genoemde samenhang een vermenigvuldigingsfactor van 0,5 wordt gehanteerd. Aan proceskosten in beroep komt aan appellante 1 een bedrag toe van € 247,50 (0,5 x 1 x 1 punt voor het indienen van het beroepschrift x € 495,-) wegens verleende rechtsbijstand. In hoger beroep komt haar toe een bedrag van € 247,50 (0,5 x 1 x 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift x € 495,-) wegens verleende rechtsbijstand. Aan proceskosten in beroep komt aan appellante 2 eveneens een bedrag toe van € 247,50 (0,5 x 1 x 1 punt voor het indienen van het beroepschrift x

€ 495,-) wegens verleende rechtsbijstand. In hoger beroep komt haar toe een bedrag van

€ 247,50 (0,5 x 1 x 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift x € 495,-) wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten II en de nadere besluiten van 8 april 2015 gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten II en de nadere besluiten van 8 april 2015, voor zover daarbij de verzoeken om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren zijn afgewezen;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante 1 tot een bedrag van in totaal

€ 990,-;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante 2 tot een bedrag van in totaal

€ 990,-;

  • -

    bepaalt dat de korpschef het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van appellante 1 van in totaal € 411,- vergoedt;

  • -

    bepaalt dat de korpschef het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van appellante 2 van in totaal € 411,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.A.E. Bon

sg