Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/1396 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Nabetaling bezoldiging. Hoger beroep ongegrond verklaard omdat overeenstemming is bereikt. 2) Schorsing en gedeeltelijke inhouding bezoldiging. Gezien het oordeel over de schorsing op grond van wangedrag heeft de commandant de bezoldiging op goede gronden met eenderde ingehouden op grond van artikel 19, eerste lid, van het IBM. Bij de toepassing van dit artikellid is geen plaats voor een belangenafweging. Daarom heeft de commandant zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de ziekte en psychische gesteldheid van appellant geen grond vormen om van de inhouding af te zien. 3) Ten onrechte ontslag wegens wangedrag. Verminderde toerekenbaarheid. Het onrechtmatig indienen van twee declaraties is terecht als wangedrag aangemerkt. Het opleggen van de maatregel van ontslag kan niet worden aangemerkt als strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zodat appellant geen zwijgrecht toekwam en op de commandant daarom geen verplichting rustte om appellant voor aanvang van de hoorzitting daarop te wijzen. Ten tijde van het ontslagbesluit waren er aanwijzingen die op zijn minst duidden op de mogelijkheid van een psychische stoornis en als gevolg daarvan op een mogelijk verminderde toerekenbaarheid van appellant ten tijde van het indienen van de declaraties. Gelet daarop had er onderzoek moeten plaatsvinden naar de psychische gesteldheid van appellant en de mate van toerekenbaarheid van zijn gedragingen. Onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 januari 2016, 15/6419, 15/6456, 15/7823, 15/7828, 15/7830, 15/7833, 15/7836, 15/7838 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

[naam A], vertegenwoordigd door de Minister van Defensie ([naam A])

de Commandant Landstrijdkrachten (commandant LAS)

de Commandant Ondersteuningsgroep Commando Landstrijdkrachten (commandant OCL)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.G. Dudink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister, namens [naam A], en de commandanten hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dudink. [naam A] en de commandanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is muzikant en was sinds 1 juni 1995 werkzaam bij de Koninklijke Landmacht, laatstelijk sinds 28 april 2006 als [functie A], in de rang van

[rang A].

1.2.

Bij besluit van 10 november 2009 is aan appellant, onder nader beschreven voorwaarden, toestemming verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden. Op 20 augustus 2013 en 9 september 2013 heeft appellant namens zijn eigen bedrijf [naam eigen bedrijf] declaraties ingediend bij de Koninklijke Landmacht ten bedrage van respectievelijk € 1.210,- en € 1.028,50 voor werkzaamheden die hij heeft omschreven als ‘[werkzaamheden]. Deze bedragen zijn aan appellant betaald. De commandant OCL heeft een Commissie van Onderzoek (commissie) ingesteld en belast met de vraag of de aanwending van middelen en de indiening van declaraties door appellant als rechtmatig te beschouwen zijn, en zo niet, in hoeverre de onregelmatigheden hem kunnen worden verweten. Appellant is hierover gehoord op 11 november 2013. De commissie heeft daarna, bij ongedateerde memo, aan de Commandant OCL bericht dat appellant bewust onrechtmatig middelen heeft aangewend en declaraties heeft ingediend en dat hem dat kan worden verweten. De commandant OCL heeft vervolgens op 21 november 2013 bij de Koninklijke Marechaussee aangifte gedaan van oplichting door appellant. In februari 2015 heeft de officier van justitie de strafzaak geseponeerd.

1.3.

Appellant heeft zich op 22 november 2013 ziek gemeld. Eind november 2013 is hij in de gelegenheid gesteld om een ontslagverzoek in te dienen. Op 5 december 2013 heeft appellant een rekest ingediend tot het verlenen van vrijwillig ontslag per 1 april 2014.

1.4.

Bij koninklijk besluit van 31 januari 2014 heeft [naam A] aan appellant met ingang van

1 april 2014 eervol ontslag verleend op grond van artikel 39, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Bij besluit van 8 september 2014 is het bezwaar van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1434, is het besluit van 8 september 2014 vernietigd en is het besluit van 31 januari 2014 herroepen. Aan die uitspraak ligt ten grondslag dat [naam A] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zich ervan te vergewissen dat appellant zich ten volle bewust was van zijn (rechts)positie, van de gevolgen van zijn ontslagname en van eventuele alternatieven en dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad om tot een afgewogen beslissing te komen. Partijen hebben in die uitspraak berust.

1.5.

Partijen zijn daarna in gesprek gegaan over de nabetaling van salaris en aan appellant is in verband met de berekening van de nabetaling verzocht om opgaaf te doen van zijn inkomsten in de periode vanaf 1 april 2014.

1.6.

Bij brief van 8 mei 2015 is appellant geïnformeerd over de voordracht door de commandant OCL voor zijn ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l of m, van het AMAR en uitgenodigd om op 20 mei 2015 te worden gehoord door de Commissie van onderzoek en advies OOCL (COA). Bij brief van 11 mei 2015 is appellant geïnformeerd over het voornemen om hem te schorsen op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van het AMAR en uitgenodigd zijn zienswijze kenbaar te maken in een hoorzitting op 19 mei 2015.

1.7.

De commandant OCL heeft appellant bij besluit van 26 mei 2015 met ingang van 29 mei 2015 in zijn ambt geschorst op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van het AMAR en eenderde gedeelte van zijn inkomen ingehouden op grond van artikel 19, eerste lid, van het Inkomstenbesluit militairen (IBM). Aan de schorsing ligt ten grondslag dat er voldoende aanwijzingen zijn voor wangedrag van appellant. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.8.

In een memo van 12 augustus 2015 heeft de COA geadviseerd om appellant te ontslaan wegens wangedrag.

1.9.

Bij besluit van 4 september 2015 (bestreden besluit 1) heeft de commandant LAS het verzoek van appellant om betaling van de bezoldiging over de periode vanaf 1 april 2014 afgewezen. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant ondanks herhaalde verzoeken daartoe geen volledige opgaaf van inkomsten, uitkeringen en vergoedingen heeft gedaan, zodat ervan wordt uitgegaan dat de inkomsten hoger dan wel gelijk zijn geweest aan zijn aanspraak op zijn bezoldiging. Met instemming van de commandant LAS heeft appellant rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank tegen bestreden besluit 1.

1.10.

Op voordracht van de minister van 7 september 2015 heeft [naam A] bij koninklijk besluit van 22 september 2015 (bestreden besluit 2) aan appellant met ingang van

14 september 2015 ontslag verleend wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. Appellant heeft met instemming van de minister namens [naam A], tegen bestreden besluit 2 rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.11.

Bij besluit van 12 oktober 2015 (bestreden besluit 3) heeft de commandant OCL het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2015 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte de minister en niet de commandant LAS in het beroep tegen bestreden besluit 1 en de commandant OCL in het beroep tegen bestreden besluit 3, als procespartijen aangemerkt. De Raad heeft dit hersteld.

Ten aanzien van bestreden besluit 1 - nabetaling bezoldiging

4.1.

Partijen zijn ter zitting tot de overeenstemming gekomen dat appellant ten behoeve van de berekening van de nabetaling van de bezoldiging over de periode van 1 april 2014 tot

1 april 2015 (datum hervatting salarisbetaling) aan de commandant LAS de gegevens verstrekt die de commandant LAS ter zitting van de rechtbank benodigd achtte voor het berekenen van de nabetaling. Dat zijn:

1. een ondertekende verklaring van een medewerker van de gemeente [woonplaats], waarin wordt bevestigd dat appellant in de periode van april 2014 tot en met oktober 2014 niet méér werkzaamheden heeft verricht dan staan weergegeven op het ‘overzicht facturen juli tot en met oktober 2014’ en

2. de facturen van appellant die op dat overzicht staan vermeld.

Een handtekening van een wethouder van de gemeente [woonplaats] bij die verklaring is niet (langer) nodig.

4.2.

Na ontvangst van die gegevens zal de commandant LAS de hoogte van de na te betalen bezoldiging vaststellen en tot nabetaling overgaan.

4.3.

Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over het onderdeel van het hoger beroep dat ziet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 1, behoeven de daarop gerichte beroepsgronden geen bespreking meer.

Ten aanzien van bestreden besluit 3 - schorsing en gedeeltelijke inhouding bezoldiging

5.1.

Op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van het AMAR kan de militair in zijn ambt worden geschorst wanneer hem is meegedeeld dat hij in aanmerking zal worden gebracht voor ontslag wegens wangedrag als bedoeld in onder meer artikel 39, tweede lid, onderdeel l, van het AMAR.

5.2.

Met inachtneming van zijn vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2020) zal de Raad beoordelen of de commandant OCL bij het nemen van het besluit tot schorsing over voldoende gronden voor dat ontslagvoornemen beschikte. Daarbij geldt niet de eis dat die gronden het voorgenomen ontslag ook kunnen dragen.

5.3.

De commissie heeft vastgesteld dat het indienen van de twee declaraties met bedragen van € 1.210,- en € 1.028,50 onrechtmatig was. Appellant heeft op de hoorzitting op

11 november 2013 erkend dat hem geen vergoeding voor die gedeclareerde werkzaamheden toekwam, van welke verklaring hij nadien ook niet is teruggekomen. Een en ander vormt voldoende grond voor een voornemen tot ontslag wegens wangedrag. De commandant OCL was dan ook bevoegd om appellant te schorsen.

5.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de commandant in redelijkheid van zijn bevoegdheid om appellant te schorsen gebruik heeft gemaakt. Appellant stelt dat hij psychisch niet in staat was te worden gehoord na het voornemen tot schorsing en dat de schorsing niet kon plaatsvinden tijdens zijn ziekte. De Raad volgt appellant daarin niet. Arbeidsongeschiktheid staat niet in de weg aan de (gebruikmaking van de) bevoegdheid om tot schorsing over te gaan nadat het voornemen tot ontslag wegens wangedrag is meegedeeld. Voorts is appellant bij het voornemen op zorgvuldige wijze in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Nadat mr. Dudink namens appellant had meegedeeld dat hij wegens zijn psychische gesteldheid niet bij het horen aanwezig kon kunnen zijn, is appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld te worden gehoord of om binnen een week schriftelijk zijn reactie op het voornemen te geven. Van die mogelijkheden hebben appellant en/of mr. Dudink geen gebruik gemaakt. De commandant OCL heeft dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid om appellant te schorsen gebruik gemaakt.

5.5.

Gezien het onder 5.4 gegeven oordeel over de schorsing van appellant op grond van wangedrag heeft de commandant OCL de bezoldiging van appellant op goede gronden met eenderde ingehouden op grond van artikel 19, eerste lid, van het IBM. Anders dan appellant heeft gesteld, is bij de toepassing van dit artikellid geen plaats voor een belangenafweging. Daarom heeft de commandant OCL zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de ziekte en psychische gesteldheid van appellant geen grond vormen om van de inhouding af te zien. Voor zover appellant heeft betoogd dat rekening had moeten worden gehouden met zijn financiële positie, heeft hij deze grond niet met (financiële) gegevens onderbouwd.

5.6.

Uit wat in 5.1 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op bestreden besluit 3, niet slaagt.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 - ontslag wegens wangedrag

6.1.

Appellant heeft betoogd dat de verweten gedragingen, het onrechtmatig indienen van de twee declaraties, hem niet zijn toe te rekenen omdat hij destijds ernstige psychische problemen had. De ernst en de gevolgen van zijn handelen heeft hij daarom niet kunnen overzien. De psychische problemen zijn onder meer veroorzaakt door zijn betrokkenheid bij de Herculesramp in 1996, waarbij veel van zijn collega’s zijn overleden, zijn spierreuma en de wijze waarop zijn leidinggevende daarmee is omgegaan, de hoge werkdruk en de slechte relatie met Van T, die tot juli 2013 zijn leidinggevende was. Appellant heeft suïcidale gedachten gehad. In juli 2012 is appellant tijdens een oefening in Finland door collega’s bij een rivier weggehaald, waardoor hem belet is een einde aan zijn leven te maken. In verband met de slechte relatie met Van T heeft hij de eerste helft van 2013 gesprekken gevoerd met de bedrijfsmaatschappelijk werker. Diverse behandelaars hebben melding gemaakt van zijn psychische problemen. Daarbij heeft appellant verwezen naar het rapport van 22 november 2013 van de bedrijfsmaatschappelijk werker drs. J.C.J. Kuipers, de e-mail van 27 mei 2014 van mr. E. Kloos, inspecteur van de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), het intakeverslag van 4 juni 2014 van psycholoog drs. J.C.J. André en de doorverwijzing door de huisarts naar de Basis Generalistische GGZ.

6.2.

De commandant OCL heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanwezige medische gegevens niet is op te maken dat bij appellant ten tijde van het indienen van de declaraties sprake was van psychisch verminderde gesteldheid en dat appellant daar bij de hoorzitting van 11 november 2013 ook geen beroep op heeft gedaan. Voorts was Van T op het moment van het wangedrag niet meer zijn leidinggevende en ondervond appellant daarvan geen stress meer. Ten tijde van bestreden besluit 2 waren er geen medische omstandigheden aan te wijzen waaruit zou moeten blijken dat de door appellant in augustus en september 2013 verrichte handelingen hem om medische redenen niet zouden zijn toe te rekenen.

6.3.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het indienen van de twee declaraties terecht als wangedrag is aangemerkt. Door het indienen van de twee declaraties voor choreografie ten gunste van zijn eigen bedrijf, terwijl het schrijven van choreografie behoorde tot zijn opgedragen werkzaamheden, heeft appellant zich onrechtmatig bevoordeeld. Bovendien betrof het bedragen van minder dan € 1.250,- waarvan appellant wist dat goedkeuring van zijn leidinggevende niet benodigd was en de kans op controle van die declaraties daarom zeer klein was. Het opleggen van de maatregel van ontslag, zoals hier aan de orde, kan niet worden aangemerkt als strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zodat appellant geen zwijgrecht toekwam en op de commandant OCL daarom geen verplichting rustte om appellant voor aanvang van de hoorzitting daarop te wijzen.

6.4.

De Raad komt vervolgens toe aan de vraag in hoeverre het wangedrag aan appellant kan worden toegerekend. Daarbij is van belang of hij ten tijde van de gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en of hij in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen en de gedraging achterwege te laten (zie de uitspraak van de Raad van 17 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3164). Op grond van vaste rechtspraak moet de minister een onderzoek doen naar mogelijke verminderde toerekenbaarheid indien er aanwijzingen zijn dat het wangedrag (mede) samenhangt met psychische klachten (uitspraak van 8 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2253).

6.5.

Op grond van de stukken staat vast dat appellant is behandeld voor psychische klachten, dat dat bekend was bij de bedrijfsmaatschappelijk werker die hij vanaf januari 2013 heeft bezocht en dat hij, zijn echtgenote en zijn raadslieden sinds de aanvang van het onderzoek naar het wangedrag telkenmale zijn psychische klachten onder de aandacht hebben gebracht van de dienstleiding. Blijkens het verslag van de hoorzitting van 11 november 2013 heeft appellant, anders dan door [naam A] is gesteld, zijn psychische klachten ook al tijdens die hoorzitting benoemd, waarbij hij onder meer melding heeft gedaan van zijn suïcidale neigingen, van het horen van stemmen in zijn hoofd, van het gepest en getreiterd zijn door Van T en van bezoeken aan de bedrijfsmaatschappelijk werker in verband daarmee. Verder heeft appellant opgemerkt dat hij de laatste drie jaar niet meer de persoon was van daarvoor. Daags na de hoorzitting is appellant door de bedrijfsmaatschappelijk werker doorverwezen naar de bedrijfsarts en vervolgens naar de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg. Psychologe André heeft in haar verslag van 4 juni 2014 melding gemaakt van een depressieve stoornis, burn-out en posttraumatische stressklachten die lijken samen te hangen met (een opeenstapeling van) gebeurtenissen vanaf 2008. In oktober 2014 is appellant door zijn huisarts doorverwezen voor een vervolgbehandeling in verband met PTSS. Deze feiten duiden al op psychische klachten van appellant, zowel vóór als na het wangedrag.

6.6.

Deze psychische klachten worden ook genoemd door mr. E. Kloos, die in zijn e-mail van 27 mei 2014 aan mr. drs. Verdonk schrijft dat hij het op basis van de contacten met de curatieve arts, de bedrijfsarts en de bedrijfsmaatschappelijk werker zeer aannemelijk acht dat de toenmalige arbeidssituatie van appellant diens psychische toestand in negatieve zin heeft beïnvloed en dat dit, volgens hem niet onbegrijpelijk, nog in versterkte mate het geval is geweest rondom het aangezegde ontslag.

6.7.

Na de voordracht tot ontslag heeft appellant in zijn zienswijze melding gemaakt van de grote druk waaronder hij heeft gewerkt, de constante pesterijen door Van T, zijn suïcidale gedachten en de depressieve periode waarin hij de declaraties heeft ingediend. De echtgenote van appellant heeft in een e-mail van 4 juni 2015 opgemerkt dat appellant sinds januari 2013 onder behandeling is voor suïcide en depressie en dat sprake is van PTSS. Vervolgens is in het bezwaarschrift van 23 juni 2015 gesteld dat de gekozen ontslaggrond niet juist is, omdat appellant wordt behandeld voor een door de dienst veroorzaakte PTSS, die al bestond ten tijde van de verweten handelingen.

6.8.

Weliswaar kan uit voornoemde gegevens niet worden afgeleid dat appellant ten tijde van het indienen van de declaraties leed aan een psychische stoornis, maar wel dat diverse medische behandelaars een verband leggen tussen de psychische gesteldheid van appellant als gevolg van de Herculesramp, spierreuma, de werkdruk en de verstoorde verhouding met

Van T en het onrechtmatig indienen van declaraties in augustus en september 2013. In ieder geval kan aan de omstandigheid dat Van T ten tijde van het wangedrag niet meer zijn leidinggevende was, niet de conclusie worden verbonden dat op dat moment geen sprake meer was van psychische klachten.

6.9.

De Raad is, de gedingstukken overziend, van oordeel dat er ten tijde van het ontslagbesluit in september 2015 aanwijzingen waren die op zijn minst duidden op de mogelijkheid van een psychische stoornis en als gevolg daarvan op een mogelijk verminderde toerekenbaarheid van appellant ten tijde van het indienen van de declaraties. Gelet daarop had [naam A] onderzoek moeten (laten) verrichten naar de psychische gesteldheid van appellant en de mate van toerekenbaarheid van zijn gedragingen.

6.10.

De conclusie is dat bestreden besluit 2 niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. [naam A] was dan ook niet bevoegd om appellant ontslag te verlenen wegens wangedrag.

6.11.

Uit 6.1 tot en met 6.10 volgt dat de aangevallen uitspraak op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking komt. Omdat tegen bestreden besluit 2 met toepassing van

artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep is ingesteld, zal de Raad [naam A] opdragen een beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit van

22 september 2015 te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door [naam A] te nemen nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding [naam A] op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 990,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 990,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het koninklijk besluit van

22 september 2015 ongegrond is verklaard;

- draagt [naam A] op een beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het
koninklijk besluit van 22 september 2015;

- bepaalt dat tegen de door [naam A] te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de
Raad beroep kan worden ingesteld;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- bepaalt dat [naam A] aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 251,- vergoedt;

- veroordeelt [naam A] in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.C.P. Venema en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Tuit

IJ