Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1151

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/4358 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens plichtsverzuim. Appellante is diverse keren strafrechtelijk veroordeeld voor het als misdrijf te kwalificeren rijden onder invloed en een keer voor het niet nakomen van de Leerplichtwet, waarvan zij geen melding heeft gemaakt. De straf van ontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4358 AW

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

27 mei 2016, 15/2835 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. Prins, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Namens appellante is verschenen mr. A.W. Hoogland, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Verhagen en C.J. Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 september 2003 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), laatstelijk als [naam functie A] bij het [naam centrum] dat onderdeel uitmaakt van de Penitentiaire inrichting (PI) [naam PI].

1.2.

Op 19 juni 2014 heeft appellante een aanvraag op grond van de “tijdelijke regeling overstap naar een niet SB-functie” ingediend en verzocht om eervol ontslag per 1 november 2014. Naar aanleiding van dit verzoek is appellante bij besluit van 5 augustus 2014 met ingang van 1 november 2014 ontslag verleend.

1.3.

Nadat de minister op 11 september 2014 een melding afkomstig van Meld Misdaad Anoniem over appellante heeft ontvangen, is met haar daarover op 18 september 2014 gesproken en is haar per die datum de toegang ontzegd tot alle dienstlokalen en dienstgebouwen van de PI [naam PI]. Vervolgens heeft het Bureau Integriteit nader onderzoek verricht. Daaruit bleek onder meer dat op het woonadres van appellante sinds maart 2014 een persoon (M) was ingeschreven, die vanaf februari 2014 gedetineerd was in een andere PI dan waar appellante werkzaam was, dat appellante M in de periode van

14 maart 2014 tot en met 18 september 2014 geregeld heeft bezocht in die andere instelling, ook nadat op 18 september 2014 met appellante was gesproken over het feit dat contacten met gedetineerden zich niet verdragen met haar functie, en dat in het politieregister vier meldingen zijn opgenomen met betrekking tot appellante wegens rijden onder invloed en niet nakomen van de Leerplichtwet.

1.4.

Bij besluit van 20 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 februari 2015, is het besluit van 5 augustus 2014 ingetrokken. Bij uitspraak van 31 augustus 2015 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 februari 2015, ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellante geen hoger beroep ingesteld, zodat het besluit van 20 oktober 2014 in rechte vast staat.

1.5.

Nadat de minister het voornemen daartoe had bekend gemaakt en appellante daarop haar zienswijze had gegeven, is appellante bij besluit van 22 januari 2015 met ingang van

22 januari 2015 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit van 11 juni 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante daartegen ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het hebben van een andere dan een werkrelatie met een gedetineerde en het niet melden daarvan en het schuldig maken aan strafbare feiten, waaronder misdrijven, en het niet melden daarvan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

4.2.

In artikel 80, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden bestraft.

4.3.

Uit het tweede lid, van artikel 80 ARAR volgt dat plichtsverzuim zowel omvat het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

4.4.

Artikel 81, eerste lid, van het ARAR, geeft een opsomming van de disciplinaire straffen, die kunnen worden opgelegd, waaronder de straf van ontslag.

4.5.

In de Gedragscode Dienst Justitiële Inrichtingen (Gedragscode) is onder het opschrift Verboden contacten vermeld: “Het hebben van een andere dan een werkrelatie met een justitiabele is niet toegestaan. (…) Mocht een relatie ontstaan dan ben je verplicht dit te melden. Als je een relatie hebt met een justitiabele die voor aanvang van de detentie is ontstaan, dan moet je dit melden bij het bevoegd gezag. Dit geldt ook voor een relatie met iemand uit de privékring van een (ex-)justitiabele. (…) Je ziet: integriteit en veiligheid wegen zwaar. Blijf professioneel en meld tijdig als je denkt dat er een relatie kan ontstaan of sprake is van een verboden contact. Zo voorkom je problemen voor jezelf en de ander en zorg je dat de reputatie van DJI niet wordt aangetast”.

4.6.

Appellante heeft erkend dat zij met gedetineerde M een vriendschappelijke relatie onderhield, M vanaf maart 2014 op haar woonadres heeft ingeschreven, M in de periode maart 2014 tot en met september 2014 geregeld heeft bezocht in een andere PI dan waar appellante zelf werkzaam was, en geregeld geldbedragen heeft overgemaakt naar de rekening van M, waarvoor zij contant geld ontving van een persoon waarvan zij alleen de voornaam kende. Met het betoog van appellante dat de inschrijving van M op haar woonadres louter een administratieve handeling was, dat zij M daarmee een vriendendienst heeft verleend en dat nimmer de intentie heeft bestaan dat gedetineerde M ook daadwerkelijk op dat adres zou gaan wonen, onderschrijft appellante juist het standpunt van de minister dat zij verboden contacten met een gedetineerde onderhield. Voorts staat vast dat appellante geen melding heeft gemaakt van de contacten met M, ondanks haar verplichting daartoe op grond van de gedragscode DJI. Appellante was op de hoogte van deze meldingsplicht ten aanzien van contact met gedetineerden ook als deze geplaatst zijn in een andere inrichting, nu zij wel eerder melding had gemaakt van het feit dat haar zoon in een andere PI gedetineerd was en zij hem aldaar bezocht.

Anders dan appellante meent, geldt bij contact met gedetineerden volgens de Gedragscode een absoluut verbod en is daarbij niet, zoals bij contact met ex-gedetineerden, de voorwaarde gesteld dat de veiligheid van de medewerkers en de collega’s niet in gevaar wordt gebracht. Het betoog van appellante dat haar wel is toegestaan haar gedetineerde zoon te bezoeken in een andere inrichting dan waar zij werkzaam was, en dat die situatie gelijk is aan de situatie ten aanzien van gedetineerde M, volgt de Raad niet. De minister heeft terecht gesteld dat het appellante is toegestaan haar gedetineerde zoon te bezoeken, niet omdat dit geen veiligheidsrisico zou opleveren, maar omdat het een bloedverwantschap in de eerste graad betreft en dat in beginsel niet van appellante gevergd kon worden om deze ‘relatie’ te verbreken. Daarmee is deze situatie niet gelijk aan de situatie ten aanzien van gedetineerde M. Het betoog van appellante dat zij toestemming zou hebben gekregen om gedetineerde M te bezoeken als zij tijdig melding van de relatie met M had gemaakt, doet, wat daar verder ook van zij, niet ter zake nu zij, anders dan de Gedragscode voorschrijft, juist geen melding daarvan heeft gemaakt.

4.7.

Voorts staat vast dat appellante diverse keren in de periode van 2010 tot en met 2014 strafrechtelijk is veroordeeld voor het als misdrijf te kwalificeren rijden onder invloed en een keer voor het niet nakomen van de Leerplichtwet en dat zij ook daarvan geen melding heeft gemaakt.

4.8.

Appellante heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Niet gesteld is dat dit plichtsverzuim appellante niet kan worden toegerekend. De minister was dan ook bevoegd appellante disciplinair te straffen.

4.9.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de straf van ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 15 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8685, mag de minister groot belang hechten aan integer en betrouwbaar gedrag van een medewerker van een PI, en in het verlengde daarvan, aan de veiligheid van de betrokkene en zijn of haar collega’s. Van een PI-medewerker mag worden verwacht dat hij/zij dit beseft en zich overeenkomstig dit besef gedraagt. Daarvan heeft appellante in het onderhavige geval geen blijk gegeven. Met het haar verweten gedrag heeft appellante het noodzakelijk in haar te stellen vertrouwen geschaad. Door een misdrijf te plegen, kan appellante haar geloofwaardigheid ten opzichte van gedetineerden verliezen en zo een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormen (vergelijk de uitspraak van 8 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1571). Ook door van haar relatie met gedetineerde M geen melding te maken, heeft appellante potentiële veiligheidsrisico’s voor zichzelf, zoals bijvoorbeeld chantage, maar ook voor haar collega’s en voor de inrichting miskend (vergelijk de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3262). Het gestelde feit dat appellante, gelet op het eerder aan haar verleende ontslag op verzoek, nog slechts korte tijd in dienst zou zijn, doet niets af aan de aard en ernst van het verweten plichtsverzuim. Haar lange dienstverband en het feit dat deze vorm van ontslag grote (financiële) gevolgen voor appellante heeft leidt niet tot een ander oordeel. Terecht heeft de minister het belang bij beëindiging van het dienstverband zwaarder laten wegen dan het belang van appellante bij voortzetting van het dienstverband.

4.10.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C. Moustaïne

HD