Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/3351 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant had bij besluit van 31 augustus 2015 de indexering, die volgens de tabel indexatie verzekerde bedragen dienstongevallen per 1 januari 2015 leidt tot een vergoeding van € 159.320,-, moeten toekennen. Vernietiging uitspraak op het onderdeel van niet toekennen van de kosten voor verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad appellant veroordelen in de kosten van betrokkene in de bezwaarfase, begroot op € 495,- te weten één punt voor het indienen van het bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/868
TAR 2017/102
PS-Updates.nl 2017-0342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

7 april 2016, 16/424 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. M.H. Welter een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.E.O. Tjon-A-Njoek en H.A.C. Lucas. Betrokkene is vertegenwoordigd door mr. drs. Welter en mr. B.O. Vreeswijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam als politieambtenaar. Bij besluit van 29 februari 2012 heeft appellant vastgesteld dat aan betrokkene smartengeld wegens beroepsziekte toekomt op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Met ingang van

1 september 2013 is aan betrokkene eervol ontslag verleend wegens ziekte.

1.2.

Het percentage van blijvende functionele invaliditeit van betrokkene is vervolgens vastgesteld op 30%, waarvan 24% verband houdt met PTSS. Op basis daarvan heeft appellant bij besluit van 27 mei 2014 aan betrokkene een bedrag van € 36.000,- aan smartengeld toegekend. Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en verzocht om een toekenning van € 150.000,-.

1.3.

Bij besluit van 29 juni 2015 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrokkene 100% duurzaam arbeidsongeschikt verklaard.

1.4.

Bij besluit van 31 augustus 2015 heeft appellant aan betrokkene smartengeld toegekend van € 150.000,-. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit omdat appellant toepassing van de indexering ten bedrage van € 9.320,- achterwege heeft gelaten.

1.5.

Appellant heeft het besluit van 31 augustus 2015 gehandhaafd bij besluit van

22 december 2015 (bestreden besluit). Aan het laatste besluit is ten grondslag gelegd dat het smartengeld is toegekend met toepassing van de Coulanceregeling PTSS Politie (Coulanceregeling) voor de PTSS die zich in november 2001 bij betrokkene openbaarde. Zonder de Coulanceregeling zou betrokkene geen recht hebben op smartengeld, omdat die aanspraak per november 2006 is verjaard. Het maximale uit te keren bedrag van € 150.000,- is in 2012 geïndexeerd en betrokkene heeft volgens appellant geen recht op indexering, omdat de Coulanceregeling daarin niet voorziet.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met beslissingen over griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het primaire besluit in die zin wordt gewijzigd dat aan betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 54a van het Barp een uitkering van € 159.320,- wordt toegekend. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat appellant aan personen die op grond van de Coulanceregeling aanspraken zijn toegekend op gelijke wijze moeten worden behandeld als personen die wel binnen vijf jaar na vaststelling van PTSS een verzoek om vergoeding van smartengeld hebben gedaan. Het niet toepassen van de indexering als bedoeld in artikel 54a, vijfde lid, van het Barp leidt tot een ongelijke behandeling die objectief niet te rechtvaardigen is. Het aan betrokkene toegekende bedrag is volgens de rechtbank ten onrechte niet vastgesteld op het per 1 januari 2015 geïndexeerde bedrag.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat nu de Coulanceregeling was bedoeld voor een in de tijd beperkte doelgroep met een tijdelijke werking tot 1 januari 2015, het algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld daarom niet van toepassing is. De Coulanceregeling is in goed overleg tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de vakbonden tot stand gekomen en het bedrag van € 150.000,- is daarin bewust expliciet als maximum opgenomen.

4. Betrokkene heeft in het incidenteel hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor proceskosten in de bezwaarfase heeft toegekend, terwijl zij zelf in de zaak heeft voorzien.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In hoger beroep zijn partijen verdeeld over de vraag of appellant de indexering van het toegekende smartengeld terecht heeft geweigerd.

5.2.

Bij brief van 26 september 2014 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie de Coulanceregeling bekendgemaakt. In die brief wordt voor zover hier van belang het volgende meegedeeld:,

“De coulanceregeling beoogt te voorzien in een redelijke compensatie voor

ex-politiemedewerkers van wie de wettelijke verjaringstermijn van 5 jaar is verstreken. (…) Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande rechtspositionele voorzieningen, mede om te voorkomen dat er een niet te rechtvaardigen ongelijkheid ontstaat ten opzichte van andere situaties waarbij medewerkers in of door de dienst schade hebben geleden.

(…)

Voor wie tussen 24 februari 1997 en 1 januari 2015 PTSS heeft opgelopen en waarvan is vastgesteld dat deze arbeid gerelateerd is, geldt:

- geen beroep op verjaring voor PTSS opgelopen voor 1 januari 2015

(…)

- compensatie voor (im)materiele schade door een vergoeding analoog aan de huidige regeling dienstongevallen. Het percentage van de invaliditeit of arbeidsongeschiktheid bepaalt de hoogte van de compensatie die maximaal 150.000 euro bedraagt.”

5.3.

Artikel 54a, eerste lid, van het Barp, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, bepaalt dat in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld wordt vergoed tot een netto maximum bedrag van € 150.000,-.

Ingevolge artikel 54a, vijfde lid, van het Barp worden de bedragen genoemd in het eerste lid en tweede lid per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex.

5.4.

Bij de Coulanceregeling is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande rechtspositionele voorzieningen. Daarbij heeft de minister het oog gehad op artikel 54a van het Barp. Het in het eerste lid van dat artikel genoemde bedrag aan smartengeld is als “compensatie” overgenomen. Verder is voor de wijze van berekening van de hoogte van de compensatie aangesloten bij de berekeningswijze bij dienstongevallen. Die berekening vindt immers plaats aan de hand van het percentage invaliditeit of arbeidsongeschiktheid in de medische eindsituatie. Uit het systeem van artikel 54a van het Barp volgt evenwel dat ook juist het maximum bedrag van € 150.000,- wordt geïndexeerd met toepassing van het vijfde lid. Daar komt bij dat al in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2012-2014) van 21 juni 2012 is overeengekomen, dat het uitkeringsbedrag van het eerste lid van artikel 54a Barp wordt verhoogd naar € 150.000,- en dat dit bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd conform de consumentenprijsindex. Als het de bedoeling van de minister was geweest om in de Coulanceregeling tot uitdrukking te brengen dat het maximum bedrag van € 150.000,- inclusief indexering is, dan had het op zijn weg gelegen dat daarin uitdrukkelijk op te nemen, gezien het Akkoord en de wijziging van artikel 54a van het Barp met toevoeging van het vijfde lid. Onder deze omstandigheden brengt een redelijke uitleg van het begrip “maximaal

€ 150.000” in de Coulanceregeling mee, dat daarmee slechts de omvang van de

immateriële schadevergoeding is gelimiteerd. Voor dit oordeel vindt de Raad nog een aanknopingspunt in de Nota van Toelichting op de wijziging van het Barp van 9 maart 1999 (Stb. 1999, 131), waarin ten aanzien van dit maximumbedrag enkel wordt gesproken van smartengeld en de hoogte alleen wordt gerelateerd aan de mate van (blijvende) invaliditeit. Het gaat hier dus om vergoeding van louter immateriële schade. Indexering evenwel is van andere aard, nu het voorziet in een compensatie voor het gevolg van inflatie.

5.5.

Uit het voorgaande volgt dat appellant bij besluit van 31 augustus 2015 de indexering, die volgens de tabel indexatie verzekerde bedragen dienstongevallen per 1 januari 2015 leidt tot een vergoeding van € 159.320,-, had moeten toekennen.

5.6.

Uit 5.2 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5.7.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt. Uit bovenstaand oordeel volgt immers dat de rechtbank, nu zij het besluit van 31 augustus 2015 terecht gedeeltelijk heeft herroepen, ook de kosten van de bezwaarfase had moeten vergoeden. De onrechtmatigheid van het herroepen gedeelte van dit besluit is immers aan het bestuursorgaan te wijten. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd, maar slechts op het onderdeel van niet toekennen van de kosten voor verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad appellant veroordelen in de kosten van betrokkene in de bezwaarfase, begroot op € 495,- te weten één punt voor het indienen van het bezwaarschrift.

6. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant daarbij niet is veroordeeld in de
kosten in bezwaar;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in bezwaar tot een bedrag van € 495,-

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C. Moustaïne

HD