Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
16/154 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wegingsfactor in bezwaar licht of gemiddeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/154 WWB

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2015, 14/7771 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Namens appellant is verschenen mr. Vlieger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.S. Kisoentewarie.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij e-mailbericht van 20 mei 2014 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de eigen bijdrage van rechtsbijstand en griffierecht in het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening. Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 93,- voor de kosten van rechtsbijstand.

1.2.

Namens appellant heeft mr. Vlieger bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 augustus 2014 en bij brief van 12 oktober 2014 als nadere gronden van het bezwaar aangevoerd dat ten onrechte slechts de eigen bijdrage is vergoed omdat ook om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht is verzocht. Hierbij is verzocht om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte en te maken kosten.

1.3.

Bij besluit van 23 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2014 gegrond verklaard en dit besluit herzien in die zin dat alsnog bijzondere bijstand tot een bedrag van € 45,- voor de kosten van griffierecht is toegekend. Het college heeft het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand afgewezen op de grond dat geen sprake is van redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de kosten van bezwaar betreft en het college veroordeeld in de kosten van bezwaar en beroep tot een bedrag van € 735,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand ten onrechte niet heeft vergoed en heeft deze kosten begroot op € 245,-, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft het gewicht van de zaak in bezwaar als ‘licht’ aangemerkt omdat geen sprake was van een complexe zaak, aangezien de gemachtigde van appellant slechts heeft hoeven aanvoeren dat het college ten onrechte niet had beslist op het verzoek om bijzondere bijstand voor vergoeding van de kosten van griffierecht. De rechtbank heeft de in beroep gemaakte kosten begroot op € 490,-, waarbij 1 punt is toegekend voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft het gewicht van de zaak in beroep eveneens als ‘licht’ aangemerkt, omdat de beroepszaak uitsluitend ging over de kosten van de behandeling van het bezwaar.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een wegingsfactor 0,5 moet worden toegepast voor de kosten van bezwaar en voor de proceskosten in beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Kosten bezwaar

4.1.

Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) dient bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor te worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van, onderscheidenlijk, 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2.

4.2.

Uit vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 2 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3988) volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Indien er naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is van de categorie licht of zeer licht, dient het bestuursorgaan dit te motiveren.

4.3.

In dit geval heeft niet het college, maar de rechtbank de kosten van bezwaar vastgesteld. De rechtbank diende daarom te motiveren waarom zij in dit geval een wegingsfactor 0,5 heeft gehanteerd. De rechtbank heeft met de enkele overweging dat geen sprake was van een complexe zaak, omdat de gemachtigde van appellant slechts heeft hoeven aanvoeren dat het college ten onrechte niet had beslist op het verzoek om bijzondere bijstand voor vergoeding van de kosten van griffierecht, onvoldoende gemotiveerd dat sprake was van een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak.

4.4.

Het standpunt van het college dat de rechtbank terecht een wegingsfactor 0,5 heeft toegepast, omdat sprake was van een voor appellant direct als zodanig kenbare administratieve vergissing als bedoeld in de uitspraak van 8 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK6879) volgt de Raad niet. Zo in dit geval al van een zodanige vergissing kan worden gesproken, heeft het college deze niet spontaan en evenmin aanstonds na het indienen van het pro forma bezwaarschrift ongedaan gemaakt, maar eerst nadat

mr. Vlieger de gronden van het bezwaar had ingediend. Wat er ook zij van het betoog van het college dat de reden daarvan was gelegen in de omstandigheid dat appellant nog geen bewijs van de betaling van het griffierecht had overgelegd en dit eerst bij de gronden van bezwaar is ontvangen, het college had aanstonds kunnen erkennen dat ten onrechte niet op de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht was beslist en daarbij direct kunnen vragen om het bewijs van betaling van griffierecht.

4.5.

Het enkele feit dat, naar eerst bij het bestreden besluit is vastgesteld, bij het besluit van

7 augustus 2014, houdende een beslissing op de namens appellant ingediende aanvraag om bijzondere bijstand, niet volledig op de aanvraag was beslist, biedt geen grond voor het oordeel dat sprake is van een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Uit de inhoud van het besluit van 7 augustus 2014 viel immers niet af te leiden waarom geen bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht was toegekend.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat geen aanleiding bestond een wegingsfactor van 0,5 toe te passen. Het hoger beroep slaagt dan ook voor zover de rechtbank wegingsfactor 0,5 voor de kosten van bezwaar heeft toegepast.


Proceskosten beroep

4.7.

De rechtbank heeft bij de begroting van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in beroep de zaak terecht als ‘licht’ aangemerkt en wegingsfactor 0,5 toegepast op de grond dat het in beroep uitsluitend ging over de kosten van bezwaar. Vergelijk de uitspraak van 7 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3693. Dat in dit geval alsnog een wegingsfactor 1 moet worden toegepast, zoals appellant voorstaat, heeft appellant met de enkele mededeling dat de zaak op een themazitting van de meervoudige kamer van de rechtbank is behandeld, onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

4.8.

Uit 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met het Bpb moet worden vernietigd voor zover het de hoogte van de bezwaarkostenvergoeding betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bepalen dat het college alsnog dient te worden veroordeeld in de kosten van bezwaar tot een bedrag van € 495,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 495,- per punt en een wegingsfactor 1).


5. De Raad ziet tevens aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Aangezien het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de kostenvergoeding in beroep merkt de Raad, in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak van 7 oktober 2016 de zaak als ‘licht’ aan en past een wegingsfactor 0,5 toe. De kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op twee punten (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting), in totaal derhalve € 495,-. Daarmee bedragen de voor vergoeding in aanmerking komende kosten (in bezwaar en hoger beroep) in totaal € 990,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de bezwaarkostenvergoeding betreft;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Tuit

IJ