Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
15/3038 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag naar norm gehuwden. Partner is derdelander. College dient in overleg met IND verblijfsrecht vast te stellen. Gelijkstelling met Nederlander. Verblijf als gezinslid van EU-onderdaan. Geen aanleiding om bij proceskostenveroordeling hogere wegingsfactor dan 1 toe te passen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 1
Vreemdelingenwet 2000 8
Besluit proceskosten bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/133
ABkort 2017/106
RSV 2017/109
RSV 2017/104
USZ 2017/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3038 WWB, 15/4658 WWB, 16/6549 WWB

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 maart 2015, 14/2248 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader genomen besluit en nadere stukken overgelegd.

Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellanten zijn, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het college, eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Tilma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit. Appellante heeft de Thaise nationaliteit. Zij zijn gehuwd op 6 september 2012. Appellant heeft in ieder geval vanaf 1 oktober 2012 gewoond en gewerkt in Essen, Duitsland. Appellante heeft in die periode bij appellant verbleven en beschikte toen over een Duitse verblijfsvergunning als “Familienangehörige EU”.

1.2.

Nadat appellant in Duitsland op 31 mei 2013 werkloos was geworden en geprobeerd had om daar opnieuw werk te vinden, zijn appellanten in augustus 2013 naar Nederland gekomen. Appellant is op 6 augustus 2013 en appellante is op 9 augustus 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen).

1.3.

Appellante heeft ook op 9 augustus 2013 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie een aanvraag gedaan om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt.

1.4.

Op 3 september 2013 hebben appellanten een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij diverse besluiten heeft het college appellanten voorschotten verstrekt tot een bedrag van in totaal € 1.550,-.

1.5.

Bij besluit van 28 november 2013 heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen op de grond dat appellante geen Nederlander is en daarmee ook niet gelijkgesteld kan worden en dat het recht op bijstand van appellant door schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 29 november 2013 heeft het college aan appellanten een dwangsom toegekend van € 60,- wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Bij besluit van 29 november 2013 heeft het college de aan appellanten verleende voorschotten teruggevorderd tot een bedrag van € 1.550,- en de verschuldigde dwangsom daarmee verrekend.

1.6.

Op 2 januari 2014 zijn appellanten verhuisd naar de gemeente Groningen.

1.7.

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) besloten aan appellante het verblijfsdocument met als doel “Familielid van een burger van de Unie” af te geven op de grond dat zij voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt.

1.8.

Bij besluit van 13 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 28 en 29 november 2013 ongegrond verklaard op de grond dat appellante tot 4 februari 2014 in afwachting was van een beslissing op haar aanvraag om een verblijfsvergunning en dus nog geen rechtmatig verblijf had dat haar gelijkstelde met een Nederlander. Na die datum verbleef zij niet meer in de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van appellant tegen die besluiten gegrond verklaard en, onder verrekening van de verleende voorschotten en met ingang van 26 augustus 2013, de datum van melding, bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft niet, zoals door appellanten in bezwaar was aangevoerd, aangenomen dat appellanten zich al op 6 augustus 2013 hadden gemeld om bijstand aan te vragen en dus ook de bijstand van appellant niet met ingang van die datum toegekend. Het college heeft geen vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend op de grond dat geen sprake was van herroeping wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat appellante haar verblijfsrecht rechtstreeks ontleent aan het Unierecht, dat het appellante verleende verblijfsdocument slechts een declaratoir karakter heeft en dat de datum van afgifte daarvan niet zegt dat appellante eerst met ingang van die datum rechtmatig verblijf als EU-onderdaan heeft. De rechtbank heeft voorts - voor zover van belang - overwogen dat geen aanleiding bestaat om van een eerdere meldingsdatum uit te gaan dan 26 augustus 2013. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het college ten tijde van de afwijzing van de aanvraag bij het primaire besluit van 28 november 2013, gelet op de gegevens die appellant had overgelegd, het recht op bijstand niet kon vaststellen en geen vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 15 juni 2015 (nader besluit) het bezwaar van appellante gegrond verklaard en haar aanvraag om bijstand, voor zover die ziet op de periode van 6 augustus 2013 tot en met 28 november 2013, opnieuw afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante pas op 9 augustus 2013 stond ingeschreven, dat zij zich pas op 26 augustus 2013 heeft gemeld en dat zij over de periode vanaf die datum tot 28 november 2013 weliswaar rechtmatig verblijf had in Nederland, maar niet gelijk kon worden gesteld met een Nederlander in verband met het bepaalde in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn). Het college heeft geen vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend.

4.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voeren aan dat de ingangsdatum van de bijstand moet worden gesteld op 6 augustus 2013, omdat zij zich op die datum hebben gemeld om bijstand aan te vragen, maar daartoe niet in de gelegenheid zijn gesteld. Appellanten hebben verzocht om veroordeling tot schadevergoeding bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen bijstand en gevraagd om de wegingsfactor 2 toe te passen ten aanzien van de kostenveroordeling, nu de aanspraken van appellanten zijn gebaseerd op ingewikkeld EU-recht. Voorts wordt een beslissing ten aanzien van dwangsommen gevraagd.

4.2.

In het incidentele hoger beroep heeft het college zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het college stelt dat het niet bevoegd is te beslissen over de ingangsdatum van het aan appellante afgegeven verblijfsdocument. Het college kan niet bepalen of appellante eerder dan 4 februari 2014 rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de

Vw 2000 had.

4.3.

Appellanten hebben - voor zover ter zitting nog gehandhaafd - tegen het nadere besluit aangevoerd dat appellant een EU-burger is die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer en teruggekeerd is naar zijn land, dat hij als Nederlander aanspraak heeft op bijstand en dat appellante als zijn echtgenote daarom op grond van het EU-recht gelijk aan een Nederlander behandeld moet worden. Verder zijn appellanten ten onrechte niet gehoord voorafgaande aan het nader besluit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, nu het college daarin niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellanten, met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling in hoger beroep betrokken.

5.2.

In geschil is of appellanten vanaf 6 augustus 2013 tot en met 28 november 2013 (te beoordelen periode) recht op bijstand hebben naar de norm voor gehuwden. Aanleiding bestaat om eerst het incidentele hoger beroep en de gronden tegen het nadere besluit samen te behandelen en daarna het hoger beroep van appellanten.

De gelijkstelling van appellante met een Nederlander

5.3.1.

In artikel 11, eerste lid, van de WWB is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid van artikel 11 van de WWB is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.

5.3.2.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, onder 1 en 2, van de Vw 2000 wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder “gemeenschapsonderdanen” verstaan: onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven en diens familieleden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het VWEU genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

5.3.3.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het VWEU dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Een regeling als bedoeld in deze bepaling is onder meer de Richtlijn.

5.3.4.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het VWEU, heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Uit artikel 21, eerste lid, van het VWEU vloeit voort dat het verblijfsrecht wordt aangenomen, indien en zo lang het onderzoek naar de beperkingen en voorwaarden, zoals onder meer vermeld in de Richtlijn, niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan.

5.3.5.

De van belang zijnde bepalingen uit de Richtlijn zijn de volgende:

- Ingevolge artikel 2, aanhef en onder punt 1, 2 en 3, van de Richtlijn, worden voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder burger van de Unie eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, onder familielid onder meer de echtgenoot en onder gastland de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen.
- Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn is deze van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen.
- Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn heeft, voor zover hier van belang, iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven a) indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is of b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel strekt het verblijfsrecht van eerste lid zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder a)

of b). In het derde lid van dit artikel is bepaald in welke gevallen de burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, zijn status als werknemer of zelfstandige behoudt. Daarin is onder c) onder meer bepaald dat zo een burger die zich bevindt in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en die zich heeft ingeschreven als werkzoekende, de status van werknemer ten minste gedurende zes maanden behoudt na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst van minder dan één jaar.
- Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn, voor zover van belang, behouden burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht van artikel 7 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. Ingevolge het derde lid van dit artikel leidt een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van het gastland niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel. Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien: a) de burgers van de Unie werknemer of zelfstandige zijn, of b) de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit laatste geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.
- Ingevolge artikel 24, eerste lid van de Richtlijn, geniet, onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het gastland in afwijking van het eerste lid niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, vierde lid, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

5.3.6.

De Richtlijn is in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd en nader uitgewerkt, onder meer in de artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B10 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

5.4.

Vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) is dat de Richtlijn geen afgeleid verblijfsrecht toekent aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die verblijft in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft (arresten van 12 maart 2014, C-456/12, O&B en C-457/12, S&G, ECLI:EU:C:2014:135 en 136).

5.5.

Het Hof heeft in het arrest O&B - voor zover van belang - voor recht verklaard dat artikel 21, eerste lid, van het VWEU in die zin moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een burger van de Unie met een derdelander een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf krachtens en onder eerbiediging van de in

artikel 7, eerste en tweede lid, van de Richtlijn genoemde voorwaarden, in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, deze Richtlijn naar analogie toepassing vindt wanneer die burger van de Unie met het betrokken familielid terugkeert naar zijn lidstaat van oorsprong. Bijgevolg mogen de voorwaarden voor toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan de derdelander die familielid van deze burger van de Unie is, in de lidstaat van oorsprong van die burger in beginsel niet strenger zijn dan die welke in die Richtlijn zijn gesteld voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer en verblijf heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit, daar het in beide gevallen de burger van de Unie is die de referentiepersoon is voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander die familielid van deze burger van de Unie is.

5.6.

Uit het arrest O&B heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) afgeleid dat een familielid van een burger van de Unie, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die hoedanigheid samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastland heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd, in beginsel bij terugkeer naar de lidstaat waarvan die burger van de Unie de nationaliteit bezit een afgeleid verblijfsrecht heeft. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4070. In het in die uitspraak beoordeelde geval betrof het, net zoals hier, een burger die Nederlander is, die verbleven heeft in een gastland en teruggekeerd is naar Nederland en diens familielid die geen burger van de Unie is.

5.7.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het de primaire verantwoordelijkheid van - thans - de staatssecretaris om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. Het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, brengt mee dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op bijstand van een betrokkene op de weg van het bijstandverlenende orgaan om in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of betrokkene aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen en dus rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en voor toepassing van de WWB met een Nederlander gelijk moet worden gesteld. Zie de tussenuitspraak van 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3857, de uitspraak van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:57 en de uitspraak van 7 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:542.

5.8.

Gelet op wat onder 5.7 is overwogen, slaagt het betoog van het college in het incidenteel hoger beroep niet. Het college is, indien het het recht op bijstand van een EU-onderdaan moet beoordelen, gehouden om diens verblijfsrechtelijke positie vast te stellen en daartoe zo nodig in contact te treden met de staatssecretaris.

5.9.1.

De staatssecretaris heeft na de te beoordelen periode en in overeenstemming met de onder 5.3.2 tot en met 5.6 weergegeven bepalingen, beleid en rechtspraak vastgesteld dat appellante rechtmatig verblijf heeft als gezinslid van een EU-burger als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in verbinding met artikel 1, onder e, van de Vw 2000. Er is geen enkel aanknopingspunt om over de periode vanaf de inreis van appellanten in Nederland tot aan het besluit van de staatssecretaris anders te oordelen. Dat appellante een beroep op bijstand heeft gedaan, maakt dat niet anders. Een beroep op bijstand beëindigt immers niet automatisch dit rechtmatig verblijf, zo volgt eveneens uit de onder 5.3.4 tot en met 5.3.6 genoemde bepalingen. Een eventueel einde van het rechtmatig verblijf dient door de staatssecretaris te worden vastgesteld, wat in dit geval in de te beoordelen periode niet is gebeurd. Dit betekent dat appellante op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB in de te beoordelen periode gelijkgesteld moet worden met een Nederlander, zodat het eerste lid van dat artikel op haar situatie van toepassing is en zij in beginsel aanspraak heeft op bijstand.

5.9.2.

Hieraan doet in dit geval niet af de in artikel 11, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn bedoelde uitzondering op grond waarvan een burger van de Unie en zijn familieleden, die op grond van de Richtlijn rechtmatig verblijf hebben, kunnen worden uitgesloten van bijstand. Deze uitzondering is, gelet op de slotwoorden van artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn, niet van toepassing op de burger van de Unie die de status van werknemer heeft behouden, en diens familieleden. Uit de Richtlijn, in het bijzonder artikel 7, derde lid, aanhef en onder c, en uit de onder 5.3.6 genoemde bepalingen, in het bijzonder artikel 8.12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb, en in navolging van de onder 5.5 en 5.6 genoemde rechtspraak naar analogie op appellanten toegepast, volgt immers dat appellant in ieder geval in de te beoordelen periode, precies gelegen binnen zes maanden na aanvang van zijn werkloosheid, zijn status als werknemer heeft behouden en dat dus aan hem en zijn familieleden artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn niet kan worden tegengeworpen. In zoverre slaagt het beroep tegen het nader besluit.

Horen voorafgaand aan nader besluit

5.10.1.

Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

5.10.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij opnieuw gehoord moesten worden na de aangevallen uitspraak en voorafgaande aan het nader besluit. Het betreft de gegevens ontleend aan Suwinet en wat appellanten in het aanvraagformulier hebben vermeld.

5.10.3.

Deze grond tegen het nader besluit slaagt niet. Deze gegevens zijn niet bekend geworden na het horen voorafgaand aan het bestreden besluit. Zij spelen in het nader besluit ook geen rol. Het college heeft immers in het nader besluit op basis van de al bij het bestreden besluit bekende feiten in opdracht van de rechtbank onderzocht of appellante aan de Richtlijn een verblijfsrecht ontleende.

De ingangsdatum van de bijstand

5.11.1.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel heeft een betrokkene zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) zijn geregistreerd en - voor zover hier van belang - hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen.

5.11.2.

Vaststaat dat appellant en appellante zich respectievelijk op 6 en 9 augustus 2013 hebben gemeld bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer om zich in te schrijven in de GBA. Appellanten hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat zij op die dag of dagen zich ook gemeld hebben als bedoeld in 5.10, namelijk dat hun namen, adres en woonplaats zijn geregistreerd bij het Uwv. Ook hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij zijn afgehouden van een melding op die dagen. Dat zij op die dagen nog niet beschikten over een geldige DigiD en zich daarom niet digitaal konden melden voor een aanvraag om bijstand maakt dit niet anders. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

Dwangsommen

5.12.

Appellanten hebben niet onderbouwd dat en waarom de toegekende dwangsom of verrekening daarvan onjuist is, zodat het hoger beroep ook in zoverre faalt.

Conclusie

5.13.

Uit 5.8, 5.11 en 5.12 volgt dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak moet dus - voor zover het de gelijkstelling van appellante met een Nederlander betreft: met verbetering van de gronden waarop zij rust - worden bevestigd.

5.14.

Uit 5.9 en 5.10 volgt dat het beroep tegen het nader besluit gegrond is en dat dit besluit moet worden vernietigd voor zover dat ziet op de weigering van het college om aan appellante bijstand toe te kennen. De Raad kan zelf in de zaak voorzien omdat, zoals het college ter zitting heeft meegedeeld, indien appellante met een Nederlander gelijk moet worden gesteld, geen beletselen bestaan om aan appellanten bijstand te verlenen naar de norm voor gehuwden met ingang van de datum waarop bijstand aan appellant is verleend, te weten vanaf 26 augustus 2013. Aldus wordt in het dictum bepaald.

Verzoek om schadevergoeding

5.15.

Uit 5.14 volgt dat het verzoek van appellanten om veroordeling tot vergoeding van geleden schade in de vorm van wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan bijstand voor toewijzing vatbaar is. Voor de wijze waarop deze vergoeding dient te worden berekend volstaat de Raad met verwijzing naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Proceskosten

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in het beroep tegen het nader besluit tot een bedrag van € 990,-. De enkele omstandigheid dat deze zaak Europeesrechtelijke aspecten heeft, betekent niet dat de zaak niet van gemiddeld gewicht is. Voorts blijkt uit de door partijen in bezwaar, beroep en hoger beroep gevoerde inhoudelijke discussie en het door de rechtbank daarover gegeven oordeel, niet dat het hier gaat om een bewerkelijke zaak. Daarom bestaat geen aanleiding om in deze zaak, ook wat betreft de door de rechtbank toegekende vergoeding van kosten, een andere wegingsfactor dan 1 toe te passen. Voor een toekenning van een vergoeding van kosten in bezwaar bestaat op grond van deze uitspraak geen aanleiding, omdat het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellant berustte op schending van de inlichtingenverplichting, welke grond ook betrekking heeft op, waarvan nu moet worden uitgegaan, de aanvraag van appellanten gezamenlijk als gehuwden en rechthebbenden. Pas in de bezwaarfase hebben appellanten de voor een goede beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens overgelegd. Wat de rechtbank hierover heeft overwogen en beslist verandert door deze uitspraak dus niet.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juni 2015 gegrond en vernietigt dat besluit voor

zover aan appellanten niet met ingang van 26 augustus 2013 bijstand is toegekend naar de

norm voor gehuwden;

- bepaalt dat appellanten recht op bijstand hebben met ingang van 26 augustus 2013 naar de

norm voor gehuwden en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde deel van dat besluit;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellanten van schade met inachtneming van

rechtsoverweging 5.15 van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

HD