Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/8520 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wegingsfactor in bezwaar licht of gemiddeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8520 WWB

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2015, 15/557 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.A. Klaver hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Namens appellante is verschenen J.A. Klaver. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.S. Kisoentewarie.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de Wet werk en bijstand. Bij besluit van 5 november 2014 heeft het college de bijstand van appellante over een bepaalde periode herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.997,53 van appellante teruggevorderd. Hierbij heeft het college de aflossingscapaciteit van appellante vastgesteld op een bedrag van € 54,38 per maand en meegedeeld dat dit bedrag maandelijks wordt ingehouden op de bijstand van appellante. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het aflossingsbedrag. Zij heeft aangevoerd dat zij mede door andere inhoudingen op de bijstand onder de beslagvrije voet komt. Hierbij is verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar.

1.2.

Bij besluit van 16 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2014 gegrond verklaard omdat geen rekening was gehouden met twee andere inhoudingen op de bijstand, deze inhoudingen beëindigd onderscheidenlijk achtergesteld en meegedeeld dat het teveel ingehouden bedrag aan appellante wordt gerestitueerd. Het college heeft het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand afgewezen op de grond dat geen sprake is van redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Bij besluit van 24 maart 2015 (nader besluit) heeft het college het bestreden besluit herzien, in die zin dat een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand is toegekend tot een bedrag van € 487,-, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 0,5.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het nader besluit ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 245,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen belang is bij een beoordeling van het bestreden besluit, omdat dit besluit is herzien bij het nader besluit, maar heeft wel aanleiding gezien om het college te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met het beroep tegen het bestreden besluit heeft moeten maken. Hierbij is 1 punt toegekend voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het door appellante betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het nader besluit. Over het nader besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het college bij de vaststelling van de bezwaarkosten terecht een

wegingsfactor 0,5 heeft gehanteerd, omdat het een simpele zaak was die alleen betrekking had op de vraag of de beslagvrije voet juist was vastgesteld en het er bij de beoordeling van de wegingsfactor om gaat of de zaak voor een gemiddelde gemachtigde al dan niet complex is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een wegingsfactor 0,5 moet worden toegepast voor de kosten van bezwaar en dat de rechtbank bij de vaststelling van de proceskosten in beroep ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting en ten onrechte niet heeft bepaald dat het door appellante in beroep betaalde griffierecht door het college wordt vergoed.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Kosten bezwaar

4.1.

Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) dient bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor te worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van, onderscheidenlijk, 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2.

4.2.

Uit vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 2 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3988) volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Indien er naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is van de categorie licht of zeer licht, dient het bestuursorgaan dit te motiveren.

4.3.

In het bestreden besluit heeft het college ter motivering van de toegepaste

wegingsfactor 0,5 het standpunt ingenomen dat de juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak een mindere werkbelasting voor de gemachtigde opleverde omdat het slechts ging om de juistheid van de voor appellante vastgestelde beslagvrije voet.

4.4.

Het college heeft hiermee onvoldoende onderbouwd waarom de wegingsfactor van de behandeling van deze zaak in afwijking van de categorie “gemiddeld” als “licht” is te kwalificeren. De stelling van het college dat (de gemachtigde van) appellante alleen maar hoefde aan te voeren dat er al twee inhoudingen op de uitkering plaatsvonden, waardoor er geen ruimte was voor een maandelijkse inhouding daarbovenop van nog eens € 54,38 en dat evident was wat er aangevoerd moest worden, is daartoe ontoereikend. Er was geen sprake van een voor appellant direct als zodanig kenbare administratieve vergissing als bedoeld in de uitspraak van 8 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK6879). Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat daarvan sprake was, dan heeft het college de onjuiste vaststelling van het aflossingsbedrag niet spontaan en evenmin aanstonds na het indienen van het bezwaarschrift ongedaan gemaakt. Het besluit van 5 november 2014 omvat mede een invorderingsbesluit, waaruit niet kan worden afgeleid dat en waarom het daarin opgenomen aflossingsbedrag onjuist zou zijn. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de zaak een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak was.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat geen aanleiding bestond een wegingsfactor 0,5 toe te passen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep van appellante slaagt in zoverre.

Proceskosten beroep

4.6.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2208), heeft artikel 8:75 van de Awb betrekking op kosten gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en is het beroep in beginsel ondeelbaar. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het nader besluit. Hieruit vloeit voort dat de in verband met de gehouden zitting gemaakte kosten van rechtsbijstand, zijnde redelijkerwijs gemaakte kosten, bij de vaststelling van de proceskosten in aanmerking dienen te worden genomen. Volgens de Bijlage bij het Bpb bedraagt de vergoeding voor een zitting 1 punt.

4.7.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep van appellante slaagt ook in zoverre.

Griffierecht beroep

4.8.

Vaststaat dat appellante griffierecht heeft voldaan ten behoeve van het beroep tegen het bestreden besluit. Het college heeft aanleiding gezien het bestreden besluit niet te handhaven en daarvoor het nader besluit in de plaats te stellen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1171), is er, anders dan in de situatie waarin een belanghebbende opkomt tegen het uitblijven van een besluit, geen aanleiding om in de situatie waarin voor een bestreden besluit een ander besluit in de plaats wordt gesteld evenzeer aan te nemen dat het voldane griffierecht geacht wordt te zijn voldaan ten behoeve van het beroep tegen het vervangende besluit. Het beroep is namelijk ingesteld tegen een reëel besluit en diende niet enkel ter aansporing van het bestuursorgaan om te gaan besluiten.

4.9.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep van appellante slaagt ook in zoverre.

Conclusie

4.10.

Uit 4.5, 4.7 en 4.9 volgt dat dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, met uitzondering van de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen bestreden besluit, wegens strijd met het Bpb en artikel 8:74, tweede lid, van de Awb. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het nader besluit gegrond verklaren, het nader besluit vernietigen voor zover bij de vergoeding van de bezwaarkosten een wegingsfactor 0,5 is toegepast en bepalen dat het college alsnog dient te worden veroordeeld in de kosten in bezwaar tot een bedrag van € 990,-, uitgaande van 2 procespunten, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1. Verder zal de Raad het college veroordelen in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 495,-, waarbij 1 punt wordt toegekend voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 495,- per punt en een wegingsfactor 0,5. Tevens zal de Raad bepalen dat het college het griffierecht in beroep aan appellante vergoedt.

5. Aanleiding bestaat voorts het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt wordt toegekend voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1. Daarmee bedragen de voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de niet-ontvankelijkverklaring van

het beroep tegen het besluit van 16 januari 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 2015 gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 maart 2015 voor zover bij de vergoeding van de bezwaarkosten

een wegingsfactor 0,5 is toegepast;
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Tuit

HD