Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/8575 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om indicatie voor Persoonlijke Verzorging (PV), Verpleging, Begeleiding en Behandeling op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8575 AWBZ

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 december 2015, 15/3843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.E.C. Segeren-Krijnen hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Namens appellante is mr. Segeren-Krijnen verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Henneveld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft beperkingen van psychische en somatische aard.

1.2.

Appellante heeft CIZ in juli 2014 verzocht om haar te indiceren voor Persoonlijke Verzorging (PV), Verpleging, Begeleiding en Behandeling op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.3.

CIZ heeft de aanvraag in een besluit van 14 augustus 2014 afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.4.

CIZ heeft het bezwaar van appellante in een besluit van 18 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag – kort weergegeven – dat de behandelingen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) die appellante al heeft en nog kan krijgen, voorliggend zijn. Voor wat betreft de gevraagde functie van Verpleging heeft CIZ in het besluit overwogen dat er bij appellante geen sprake is van een door een arts voorgeschreven verpleegkundige handeling. Appellante heeft tegen het besluit van

18 mei 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. CIZ heeft terecht overwogen dat behandelingen die appellante ontvangt of nog kan ontvangen, kunnen worden bekostigd vanuit de Zvw. Deze zijn voorliggend op AWBZ zorg. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de medisch adviseurs van CIZ, P. Koot en L. Cornelissen-Houben. Appellante heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die aanleiding geeft om te twijfelen aan de bevindingen van de medisch adviseurs van CIZ. Dat appellante meer klachten ervaart dan door deze medisch adviseurs zijn geobjectiveerd, is onvoldoende om appellante in aanmerking te brengen voor

AWBZ-zorg. Niet gebleken is dat appellante naast deze behandelingen is aangewezen op aanvullende begeleiding op grond van de AWBZ. Dat de behandelingen volgens appellante onvoldoende resultaat (zullen) hebben, betekent niet dat zij in aanmerking komt voor

AWBZ-zorg. De behandelaars verwachten verbetering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel is verworpen omdat niet gebleken is van een aan CIZ toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij lichamelijke en psychische klachten heeft en dat zij in aanmerking komt voor Persoonlijke Verzorging, Behandeling, Begeleiding en mogelijk voor Verpleging. Zij stelt niet in staat te zijn haar persoonlijke verzorging zelfstandig te verrichten en hulp nodig te hebben bij inname van haar medicijnen. Begeleiding vindt appellante nodig voor het plannen van activiteiten en het regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en structureren van de dag. Verder heeft zij begeleiding nodig bij dagelijkse routine en bezigheden, lezen en schrijven, problemen oplossen en besluiten nemen en administratieve taken. Behandeling heeft zij nodig ter voorkoming van verergering van de gevolgen van de aandoening en het aanleren van vaardigheden en gedrag. Verpleging vindt appellante nodig in verband met diabetes en wondverzorging. Ook beroept appellante zich op het vertrouwensbeginsel omdat volgens haar de medewerkster van CIZ tijdens het intakegesprek heeft gezegd dat appellante aan de voorwaarden voor zorg in het kader van de AWBZ voldoet en dat zij voor zorg in aanmerking komt. Op de zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante naar voren gebracht dat haar behandelend psycholoog in juli 2016 heeft aangegeven dat zij is aangewezen op langdurige zorg. Verder is namens appellante naar voren gebracht dat in de telefoonnotitie van de medisch adviseur Koot van 7 mei 2015 – waarin hij verslag doet van het door hem met oefentherapeut J.P.M. van Veldhoven gevoerde gesprek – is vermeld dat appellante laag belastbaar is.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In het bijzonder overweegt de Raad nog het volgende. Medisch adviseur Koot heeft goed onderbouwd het volgende weergegeven en geconcludeerd. Appellante moet eerst de operatie aan het carpaal tunnelsyndroom afwachten, omdat deze operatie een verbetering kan geven. Verder is een ergotherapeutisch consult aangewezen waar in kaart kan worden gebracht welke hulpmiddelen appellante kan inzetten. Appellante is verder onder behandeling van een dermatoloog in verband met prurigo. Stress en depressie zijn nog steeds uitlokkende factoren. De dermatoloog adviseerde een alternatief antidepressivum. De neuroloog heeft verder gemeld dat appellante een geringe beperking heeft aan de rechter schouderfunctie. De oefentherapeut heeft gemeld dat de schouderklachten aan beide schouders bestaan en verspringend zijn. Daarnaast is er sprake van rugklachten. De klachten lijken stress gerelateerd te zijn en dus beïnvloed te worden door de psychiatrische problemen. Het is belangrijk dat appellante in beweging blijft, daarom kan het inzetten van Persoonlijke Verzorging anti revaliderend werken. Verder is appellante onder behandeling van de GGZ in verband met een paniekstoornis en een depressie. Ook op dit vlak is behandeling voorliggend. De behandeling bij de GGZ zal ook effect hebben op de prurigo en de schouder- en rugklachten.

4.2.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat Van Veldhoven appellante niet in staat acht te bewegen. Van Veldhoven heeft gezegd dat het belangrijk is dat appellante in beweging blijft. Wat betreft de psychische klachten blijkt uit de brief van 4 juni 2015 van psycholoog A. Alici dat appellante vanaf april 2015 bij haar onder behandeling is en dat er tot dan toe drie behandelgesprekken hebben plaatsgevonden, waarin psycho-educatie is gegeven over de angstklachten en de problematiek en hulpvraag van appellante nader zijn geëxploreerd.

4.3.

Op de zitting is de door de gemachtigde van appellante genoemde mededeling van medio 2016 van de behandelend psycholoog besproken. In dat kader is de gemachtigde erop gewezen dat ingeval appellante meent dat zij gelet op de ontwikkelingen na het bestreden besluit naast behandeling op grond van de Zvw is aangewezen op zorg op grond van de Wet langdurige zorg dan wel van de Wet maatschappelijke Ondersteuning 2015, zij bij het bevoegde bestuursorgaan een nieuwe aanvraag om zorg kan indienen.

4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) L.H.J. van Haarlem

GdJ