Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
14/6939 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn als bewijs ontoelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6939 WSF

Datum uitspraak: 22 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
6 november 2014, 14/3348 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bozbey, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft appellante met ingang van 1 december 2010 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor uitwonende studerenden.

1.2.

Op 11 november 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is – onder meer – een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) stond ingeschreven om te controleren of zij op dit adres woont. Van het onderzoek is op 12 november 2013 een rapport opgemaakt.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 genoemde rapport bij besluit van 12 december 2013 de aan appellante toegekende studiefinanciering vanaf 1 januari 2012 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over de maanden januari 2012 tot en met juli 2012 en februari 2013 tot en met november 2013 volgens de minister te veel betaalde bedrag is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft de minister aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd.

1.5.

De minister heeft het tegen de besluiten van 12 december 2013 en 10 januari 2014 gemaakte bezwaar bij besluit van 14 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat, anders dan de minister heeft gedaan, de zienswijze van appellante gericht tegen het voornemen tot het opleggen van een boete, niet kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen de later bij afzonderlijk besluit opgelegde boete. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende grondslag bieden voor het herzieningsbesluit.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Appellante heeft een zienswijze ingediend tegen het voornemen om haar een boete op te leggen, zoals is medegedeeld aan appellante bij brief van 13 december 2013. De brief van appellante is door de minister opgevat als een bezwaarschrift gericht tegen het herzieningsbesluit van 12 december 2013 en het boetebesluit van 10 januari 2014. Vervolgens heeft de minister appellante in de gelegenheid gesteld zowel haar zienswijze als haar bezwaar mondeling nader toe te lichten. Aan deze informatie van de minister heeft appellante kunnen en mogen ontlenen dat haar bezwaarschrift zowel tegen de herziening als de – inmiddels opgelegde – boete gericht werd geacht. Aan appellante kan daarom niet worden tegengeworpen dat zij niet apart een bezwaarschrift tegen het boetebesluit heeft ingediend.

4.1.2.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep van appellante
– gericht tegen de gehandhaafde boete – betrekken in het geschil.

4.2.1.

Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen. Bij besluit van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, zijn voor dit toezicht – onder meer – aangewezen personen werkzaam bij Langhenkel Beheer B.V.

4.2.2.

In zijn uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2, heeft de Raad geoordeeld dat onder deze aanwijzing niet ook personen vallen die werkzaam zijn bij de werkmaatschappijen van [BV]

4.2.3.

Het onder 1.2 vermelde onderzoek is verricht door [naam 1] en [naam 2] . Het is de Raad ambtshalve bekend dat deze controleurs ten tijde van het onderzoek niet werkzaam waren bij [BV] , maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet voor het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 waren aangewezen.

4.2.4.

Nu genoemde controleurs ook niet uit anderen hoofde bevoegd waren tot het houden van dat toezicht, is het door hen bij het onderzoek verzamelde bewijs onrechtmatig verkregen en moet dat, zoals ook volgt uit de onder 4.2.2 genoemde uitspraak, worden uitgesloten.

4.2.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woont op het adres waaronder zij staat ingeschreven in de gba, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

4.2.6.

Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 12 december 2013 en 10 januari 2014 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.485,-. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 14 maart 2014;

  • -

    herroept de besluiten van 12 december 2013 en 10 januari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 maart 2014;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

UM