Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
16/2338 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met appellant is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de controleurs wel een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de herziening van de aan betrokkene toegekende studiefinanciering en dat voor nader onderzoek geen aanleiding bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2338 WSF

Datum uitspraak: 22 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 maart 2016, 15/4446 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.J. Bomhof, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bomhof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, met ingang van oktober 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan betrokkene toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voortgezet voor de jaren 2013, 2014 en 2015. Betrokkene staat vanaf 1 oktober 2012 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres] . Naast betrokkene staan onder dit adres ingeschreven een tante en een oom van betrokkene, die de hoofdbewoners zijn, hun twee kinderen en een andere studente, tevens een nicht van betrokkene.

1.2.1.

Op 29 juni 2015 hebben twee controleurs in opdracht van appellant onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder betrokkene op dat moment in de brp stond ingeschreven om te controleren of zij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoonster opgenomen. Daarnaast hebben de controleurs geprobeerd om verklaringen op te nemen van de beide directe buren. Echter, bij beiden werd de voordeur na aanbellen niet geopend. Van het onderzoek is op 2 juli 2015 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoonster gevoegd.

1.2.2.

De hoofdbewoonster heeft tegenover de controleurs verklaard dat betrokkene en haar nicht een kamer delen op het brp-adres. Voorts heeft zij hen blijkens het rapport verteld dat betrokkene en haar nicht geen huur hoeven te betalen. Daarnaast is in het rapport vermeld dat in de kamer die als kamer van betrokkene en haar nicht is getoond, en die naar de schatting van de controleurs ongeveer 4 m2 groot is, zijn aangetroffen – onder meer – een eenpersoonsbed, een kinderbedje, een kledingrek met kinderkleding en een wandkastje met administratie van de hoofdbewoners. Blijkens het rapport heeft de hoofdbewoonster aan de controleurs verteld dat zij deze kamer tevens gebruikt voor haar kinderopvang en dat zij iedere dag de kinderkleding van het kledingrek haalt en het kinderbedje uit de kamer haalt, zodat betrokkene en haar nicht hun kleding kunnen ophangen en zodat het eenpersoonsbed kan worden uitgeklapt. Voorts heeft de hoofdbewoonster desgevraagd verklaard dat betrokkene geen kleding, schoolspullen en/of andere spullen op het brp-adres heeft. Betrokkene neemt haar kleding, schoolspullen en andere spullen iedere dag mee. Betrokkene heeft nu alleen enkele paren schoenen en enkele poststukken op het brp‑adres. Verder ligt er niets van betrokkene op het brp-adres, aldus de hoofdbewoonster.

1.3.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, op basis van het rapport en de verklaring, zoals die onder 1.2.2 zijn weergegeven, bij besluit van 17 juli 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 28 september 2015 (bestreden besluit), de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2012 herzien in die zin dat betrokkene vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan betrokkene over de periode van oktober 2012 tot en met juni 2015 te veel betaalde bedrag van € 6.537,54 is daarbij van haar teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 17 juli 2015 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank had appellant, gelet op hetgeen betrokkene in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, aanleiding behoren te zien om een aanvullend onderzoek te verrichten. Zo had appellant alsnog het voortijdig afgebroken buurtonderzoek kunnen afronden en/of betrokkene kunnen horen. Nu appellant dat niet heeft gedaan, bieden de onderzoeksbevindingen van de controleurs naar het oordeel van de rechtbank niet een voldoende feitelijke grondslag voor de herziening van de aan betrokkene toegekende studiefinanciering.

3.1.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij, gelet op hetgeen betrokkene in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, aanleiding had behoren te zien om een aanvullend onderzoek te verrichten. Blijkens het rapport is tijdens het huisbezoek op het brp‑adres niets aangetroffen dat erop duidt dat betrokkene daar woont. Het betoog van betrokkene in het bezwaarschrift, dat er wel degelijk kleding en spullen van haar op het brp-adres lagen, is ongeloofwaardig, gezien het gegeven dat de hoofdbewoonster deze niet heeft laten zien.

3.1.2.

Voorts heeft appellant ter onderbouwing van zijn stelling dat betrokkene op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde OV-reisgegevens van betrokkene overgelegd.

3.2.

Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat het onderzoek naar haar woonsituatie onvoldoende zorgvuldig is verricht. Verder heeft zij aangevoerd dat op het moment van het huisbezoek wel degelijk zaken op het brp‑adres lagen waaruit kan worden opgemaakt dat zij daar woont. Ten slotte heeft betrokkene, ter onderbouwing van haar stelling dat zij toen wel op het brp‑adres woonde, enkele poststukken en enkele verklaringen overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Nu een herziening als hier aan de orde een belastend besluit is, moet appellant aannemelijk maken dat betrokkene niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn opgenomen.

4.2.

Met appellant is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de controleurs wel een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de herziening van de aan betrokkene toegekende studiefinanciering en dat voor nader onderzoek geen aanleiding bestond. Appellant heeft met deze onderzoeksbevindingen aannemelijk gemaakt dat betrokkene op het moment van het huisbezoek niet op haar brp-adres woonde en daarmee voldaan aan zijn in 4.1 omschreven bewijslast. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat behalve enkele paren schoenen, die volgens de hoofdbewoonster van betrokkene zijn, en enkele poststukken, op het moment van het huisbezoek in het geheel geen kleding en/of spullen van betrokkene op het brp-adres lagen. Waar betrokkene stelt dat zij op het moment van het huisbezoek al ruim twee jaar op het
brp-adres woonde, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich op dat adres meer tot betrokkene te herleiden zaken zouden bevinden, waaruit kan worden afgeleid dat zij daar woont. De verklaring die de hoofdbewoonster tegenover de controleurs heeft afgelegd, dat er verder geen kleding en spullen van betrokkene op het brp-adres liggen, omdat betrokkene iedere dag vrijwel al haar kleding, schoolspullen en andere spullen meeneemt, is ongeloofwaardig. De verklaringen die betrokkene in hoger beroep heeft overgelegd – onder meer de verklaring van de arts van haar moeder – geven geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van appellant dat betrokkene niet op het brp-adres woonde, reeds omdat uit deze verklaringen niet kan worden opgemaakt op welk adres betrokkene woonde.

4.3.

Het betoog van betrokkene dat zij wel kleding, ondergoed, verzorgingsspullen en administratie op het moment van het huisbezoek op het brp-adres had, treft geen doel. Dit betoog is in strijd met de verklaring die de hoofdbewoonster tegenover de controleurs heeft afgelegd. De omstandigheid dat de hoofdbewoonster gedurende de procedure in beroep van deze eerdere verklaring is teruggekomen en heeft verklaard dat betrokkene wel meer kleding en wel meer spullen op het brp-adres had, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512, en 12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108) mag in beginsel van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.4.

Het betoog van betrokkene dat het huisbezoek zo gehaast is verlopen, dat geen sprake kan zijn geweest van een zorgvuldig en volledig onderzoek, treft evenmin doel. Blijkens het rapport is de hoofdbewoonster voldoende de gelegenheid geboden om alle spullen van betrokkene te laten zien en heeft zij deze mogelijkheid – door het tonen van de schoenen en de poststukken – ook benut. Daarnaast is een verklaring van de hoofdbewoonster opgenomen die door haar voor akkoord is ondertekend. Ook uit deze verklaring blijkt niet dat de hoofdbewoonster onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om de spullen van betrokkene te laten zien.

4.5.

De stelling van betrokkene dat zij maandelijks € 50,- huur betaalde, hoefde geen aanleiding te geven voor een aanvullend onderzoek. Uit de transactieoverzichten die betrokkene heeft overgelegd, is niet af te leiden dat de bedragen van € 50,- die zij in de maanden mei 2014 tot en met juli 2015 (nagenoeg) maandelijks naar de bankrekening van de hoofdbewoner heeft overgemaakt, bedoeld zijn geweest om huur te voldoen. Daar komt bij dat deze stelling niet rijmt met het gegeven dat de hoofdbewoonster aan de controleurs heeft verteld dat betrokkene geen huur hoeft te betalen. Ook de door betrokkene overgelegde foto’s van de woonsituatie op het brp-adres hoefden geen aanleiding te geven voor een aanvullend onderzoek. Deze foto’s doen op geen enkele wijze afbreuk aan de tijdens het huisbezoek op het brp-adres aangetroffen woonsituatie. Voorts hoefde de stelling van betrokkene dat zij op het moment van het huisbezoek op vakantie was evenmin aanleiding te geven voor een aanvullend onderzoek. Voor het uitvoeren van een volledig en zorgvuldig onderzoek is het in het algemeen niet noodzakelijk dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. In deze zaak is dat niet anders. Indien zou blijken dat tijdens het huisbezoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of verkeerd zijn geïnterpreteerd, dan is er tijdens de bezwaarfase ruim gelegenheid daarvan melding te maken en desgewenst, indien mogelijk, bewijzen te leveren. Betrokkene heeft deze mogelijkheid, door melding te doen in bezwaar, ook benut. Het betoog van betrokkene dat een aanvullend onderzoek had moeten worden verricht, vindt evenmin steun in de door haar aangehaalde richtlijnen voor controleurs. Betrokkene heeft in dit kader op situatiegebonden richtlijn 2 gewezen. Uit deze richtlijn volgt dat controleurs aanvullende informatie moeten inwinnen, indien zij twijfelen aan het verhaal van de hoofdbewoner. Daargelaten dat betrokkene volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:632) geen rechtstreekse rechten kan ontlenen aan deze richtlijnen, is hier geen sprake van een situatie als beschreven in situatiegebonden richtlijn 2. Niet kan worden opgemaakt uit het rapport dat de controleurs eraan twijfelden of het verhaal van de hoofdbewoonster wel of niet juist zou zijn. Blijkens het rapport waren de controleurs ervan overtuigd dat betrokkene niet op het brp-adres woonde en waren zij er eveneens van overtuigd dat de hoofdbewoonster, voor zover zij verklaarde dat dat wel het geval was, niet de waarheid sprak.

4.6.

Aangezien de onderzoeksbevindingen van de controleurs al een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de herziening van de aan betrokkene toegekende studiefinanciering, behoeven de OV-reisgegevens die appellant heeft overgelegd geen bespreking.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

SS