Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
16/585 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgangspositie voor omzetting naar LFNP-functie vastgesteld conform de Feitelijke taakstelling. Matching op basis van inhoud Feitelijke taakstelling zoals vastgelegd in uitgangspositie. Domein Ondersteuning. Niet aannemelijk gemaakt dat matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins een onhoudbaar resultaat kent. Geen onbillijkheid van overwegende aard. Ook geen sprake van bijzondere situatie in de zin artikel 5, vierde lid, van de Regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/585 AW

Datum uitspraak: 5 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 december 2015, 15/4051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.M. Timmers hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.A. Keulers. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door F.A.M. Bot en L.M. van den Hil.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant, vanaf 1979 werkzaam bij de politie, was met ingang van 1 januari 2009 tijdelijk geplaatst op een functie van [naam functie] .

1.3.

Bij besluit van 31 januari 2014 heeft de korpschef de taken en werkzaamheden die appellant feitelijk verricht voor de Vrijwillige Politie beschreven en vastgesteld in een document Feitelijke taakstelling met als nadere aanduiding het dienstnummer van appellant. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is per 31 december 2009 vastgesteld conform de onder 1.3 genoemde Feitelijke taakstelling.

1.5.

Op 16 oktober 2014 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie Bedrijfsvoeringspecialist B, salarisschaal 10. Bij besluit van 22 mei 2015 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft betoogd dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) is geschied en dat de matching had moeten leiden tot een indeling in een ander domein, namelijk Leiding of Uitvoering. Appellant heeft in dit verband gesteld dat bij de matching niet is uitgegaan van de taken en werkzaamheden zoals beschreven en vastgesteld in de Feitelijke taakstelling, maar van zijn oude functie van [naam oude functie] .

4.2.

Het betoog van appellant slaagt niet. De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar een LFNP-functie is vastgesteld conform de Feitelijke taakstelling. Uit het besluit van

16 oktober 2014, het bestreden besluit en het functievergelijkingsformulier blijkt ook dat de matching heeft plaatsgevonden op basis van de inhoud van de Feitelijke taakstelling zoals vastgelegd in de uitgangspositie. Uit het functievergelijkingsformulier volgt dat de keuze is gemaakt voor het domein Ondersteuning omdat uit de functiebeschrijving blijkt dat een bijdrage wordt geleverd aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie, terwijl tegelijkertijd uit de korpsfunctie blijkt dat geen of een beperkte directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken. Gelet op de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013, deel III C, onder 5 is het domein Ondersteuning het meest vergelijkbaar omdat uit de functiebeschrijving niet blijkt van (voldoende) daadwerkelijke operationele politie-inzet. Verder is in het functievergelijkingsformulier gemotiveerd dat het domein Leiding niet het meest vergelijkbare is, omdat de in de functiebeschrijving vermelde salarisschaal 13 of lager is. Omdat het niet gaat om de uitvoering van de politietaak en om het (deels) leidinggeven aan (een) stafafdeling(en) is ook om die reden het domein Ondersteuning het meest vergelijkbare. De korpschef heeft in dit verband nog gewezen op het bepaalde in de Beleidsregel Instructie organieke matching (Stcrt. 2013, nr. 12776), Stap 5, Categorie III. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins een onhoudbaar resultaat kent.

4.3.

Appellant heeft verder zijn beroep op de hardheidsclausule bedoeld in artikel 5,

vierde lid, van de Regeling gehandhaafd. In dit verband heeft hij een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en stukken overgelegd over de uitgangspositie en matching van collega K. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit deze stukken niet dat sprake is van een gelijk geval, omdat deze collega een andere (korps)functie vervulde en op grond van deze functie een andere uitgangspositie is vastgesteld. Bovendien was hij werkzaam in een andere politieregio en had hij een ander bevoegd gezag, waardoor het mogelijk is dat een vergelijkbare functie daar anders is beschreven en gewaardeerd. Voor zover sprake was van vergelijkbare werkzaamheden, kan appellant daar als politieambtenaar uit een andere politieregio daarom geen rechten aan ontlenen. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4796. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie in de zin artikel 5, vierde lid, van de Regeling.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J.L. Meijer

HD