Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/4826 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling uitkering op grond van de WW. Voor appellante vormden de gedragingen van betrokkene geen subjectieve dringende reden voor ontslag. Geen arbeidsrechtelijke dringende reden ligt er ten grondslag en van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4826 WW

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

28 mei 2015, 14/11384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. J.H. van Gelderen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. K. ten Broek een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017. Appellante is verschenen, vertegenwoordigd door M.A. Rijpma en bijgestaan door mr. Van Gelderen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Broek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is op 1 september 1998 op basis van arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als docent in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) appellante.

1.2.

Mede naar aanleiding van de beoordeling van het functioneren van betrokkene over de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2013 heeft appellant op 19 juli 2013 de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2014 opgezegd. In verband met ziekte van betrokkene heeft appellant die beslissing ingetrokken. Betrokkene was op 23 juli 2013 (weer) geschikt voor het eigen werk. Appellante heeft vervolgens bij brief van 30 oktober 2013, met inachtneming van de opzegtermijn uit de van toepassing zijnde CAO, de arbeidsovereenkomst opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden, per 1 mei 2014. Aan het ontslag heeft appellante onder meer ten grondslag gelegd dat het functioneren van betrokkene onacceptabel slecht is geweest en dat betrokkene aan de individuele resultaatsafspraken stelselmatig niet heeft voldaan. Betrokkene heeft keer op keer nagelaten om normaal te communiceren en samen te werken met collega’s en te reageren op berichten van leidinggevenden. Ook is betrokkene berispt wegens pesten en discriminatie van een collega. Hieruit heeft appellante geconcludeerd dat betrokkene in ernstige mate onbekwaam, althans ongeschikt is voor zijn functie zonder dat hij herplaatsbaar is in een andere functie, althans dat de verhouding met hem door zijn toedoen dan wel nalaten zodanig is verstoord dat daarom voldoende gewichtige reden bestaat om hem niet langer te handhaven als werknemer.

1.3.

Op 20 december 2013 heeft appellante betrokkene vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, met behoud van salaris.

1.4.

Betrokkene heeft tegen het ontslag beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor het Hoger Beroeps Onderwijs (CVB). De CVB heeft bij uitspraak van 3 april 2014 dat beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de CVB overwogen dat appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet naar behoren functioneerde en dat ondanks aanwijzingen van appellante verbetering bij betrokkene uitbleef. Appellante heeft daaraan in redelijkheid de conclusie kunnen verbinden dat betrokkene niet (langer) geschikt was voor het uitoefenen van zijn functie.

2. Betrokkene heeft op 28 april 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 8 mei 2014, aangepast bij besluit van 8 juli 2014, heeft het Uwv betrokkene met ingang van 5 mei 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. Bij beslissing op bezwaar van 13 november 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover hier van belang, dat bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is geen sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het handelen en het nalaten van de werknemer zijn niet zodanig ernstig of laakbaar dat deze een dringende reden als bedoeld in voornoemd artikel opleveren.

3. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit beoordelingsgesprekken van 29 mei en 5 juni 2013 naar voren komt dat het functioneren van betrokkene op twee resultaatsgebieden onacceptabel is. Na het ontslagbesluit van 30 oktober 2013 heeft appellante betrokkene pas per 10 december 2013 vrijgesteld van werk. Tussentijds heeft appellante geen andere maatregelen ten aanzien van het functioneren van betrokkene genomen en is hij zijn werkzaamheden blijven uitoefenen. Er heeft dan ook ruim zes maanden gezeten tussen het moment van het beoordelingsgesprek dat de directe aanleiding is geweest en de vrijstelling van de werkzaamheden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat hoewel in organisaties als die van appellante enige tijd voor overleg en beraad nodig kan zijn alvorens definitieve rechtspositionele stappen kunnen worden ondernomen en de zorgvuldigheid dit soms vereist, in dit geval niet kan worden gesteld dat appellante onverwijld actie heeft ondernomen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat voor appellante de gedragingen van betrokkene geen subjectieve dringende reden voor ontslag vormden. De rechtbank heeft geoordeeld dat alleen al om die reden aan het ontslag van de werknemer geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt en van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW geen sprake is.

4. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank met haar overwegingen over het moment van vrijstelling van het werk, het niet nemen van andere maatregelen ten aanzien van het functioneren waardoor er ruim zes maanden heeft gezeten tussen het moment van het beoordelingsgesprek en de vrijstelling van werkzaamheden, heeft miskend dat aan de subjectieve dringendheid van het ontslag niet af kan doen dat betrokkene na het oorspronkelijke ontslagbesluit van 19 juli 2013 en het uiteindelijke ontslagbesluit van

30 oktober nog werkzaamheden als docent is blijven verrichten. Voor appellante stond ten tijde van de opzegging al vast dat daardoor de arbeidsovereenkomst zou eindigen. Voor het ontslag als zodanig maakte het verrichten van werkzaamheden tijdens de opzegtermijn niet meer uit. Daarbij heeft appellante er op gewezen dat zij het recht niet had om betrokkene niet meer toe te laten tot de werkzaamheden omdat zo’n eenzijdige dwangmaatregel zou zijn neergekomen op schorsing. Daarvoor ontbrak nu juist de nodige directe aanleiding.

5. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4388) gesteld dat de subjectieve dringende reden ontbrak, omdat appellante bij het ontslagbesluit van 30 oktober 2013 een opzegtermijn van zes maanden in acht heeft genomen.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar onderdeel 4.1 van de aangevallen uitspraak. Tevens wordt voor rechtspraak van de Raad over de subjectiviteit van de dringende reden verwezen naar de onder 4.2 en 4.3 van de aangevallen uitspraak genoemde uitspraken, naar de hiervoor onder 5 genoemde uitspraak en naar, bijvoorbeeld, de uitspraken van de Raad van 14 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2355) en

16 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4650).

6.2.

Uit die rechtspraak van de Raad volgt dat voor het aannemen van de subjectiviteit van de dringende reden moet blijken dat het de werkgever er aan is gelegen om de aanstelling van de werknemer op zo kort mogelijke termijn te doen eindigen.

6.3.

Hieruit volgt dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Hetgeen de rechtbank in dat verband heeft vastgesteld en overwogen wordt onderschreven, met dien verstande dat, anders dan de rechtbank lijkt te veronderstellen, niet op 5 juni 2013, maar eerst op

24 juni 2013 sprake was van een vastgestelde beoordeling van het functioneren van betrokkene. Dit doet er echter niet aan af dat de periode die appellante heeft genomen om tot een beëindiging van het dienstverband te komen, zodanig lang is geweest dat een subjectieve dringende reden ontbreekt. Voor het overige wordt volstaan te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

6.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.W.L. van der Loo

KP