Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
16/3302 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen beslissing waarbij is vermeld dat opschorting wordt gehandhaafd, is geen besluit met rechtsgevolg. Terecht niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar. Niet twee keer bezwaar maken tegen een besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3302 PW, 16/3303 PW

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

31 maart 2016, 15/6018 en 15/5964 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 13 februari 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet.

1.2.

Bij besluit van 20 mei 2015 heeft het college het recht op bijstand met ingang van die datum opgeschort omdat appellante niet alle gevraagde gegevens had verstrekt. Daarbij heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld die gegevens alsnog uiterlijk 1 juni 2015 te verstrekken.

1.3.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft het college de bijstand per 1 april 2015 ingetrokken op de grond dat appellante over voldoende inkomsten beschikt om zelf te voorzien in de kosten van levensonderhoud.

1.4.

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft het college het besluit van 2 juni 2015 weer ingetrokken. Daarbij is vermeld dat de opschorting blijft gehandhaafd.

1.5.

Bij besluit van 21 juli 2015 heeft het college de opschorting per 20 mei 2015 weer ongedaan gemaakt nadat appellante inlichtingen had verstrekt over haar dienstverband en daaruit verkregen inkomsten.

1.6.

Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit berust op de grond dat appellante geen belang had bij de behandeling van haar bezwaarschrift omdat bij besluit van 21 juli 2015 de opschorting reeds ongedaan was gemaakt.

1.7.

Bij besluit van 7 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit berust voor wat betreft het bezwaar tegen de handhaving van de opschorting op de grond dat appellante al bezwaar had gemaakt tegen het opschortingsbesluit van 20 mei 2015 en niet twee keer tegen de opschorting bezwaar kan maken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Appellante heeft daartoe, samengevat weergegeven, aangevoerd dat geen sprake is van twee keer bezwaar maken tegen dezelfde opschorting. Het besluit van 4 juni 2015, voor zover daarin de opschorting is gehandhaafd, moet als een nieuw besluit worden gezien waarin het gaat om opschorting met inachtneming van de situatie op 4 juni 2015. De aangevallen uitspraak is in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beroep tegen het bestreden besluit wordt onderschreven. De beslissing van 4 juni 2015, voor zover betrekking hebbende op de opschorting, is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht omdat die beslissing geen rechtsgevolg heeft. De omstandigheid dat de opschorting voortduurde na 4 juni 2015 vloeit voort uit het besluit van 20 mei 2015. De mogelijke omstandigheid dat op 4 juni 2015 is beoordeeld of de opschorting moest voortduren doet daar niet aan af. Dit betekent dat het college het bezwaar tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD