Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
15/4683 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen omdat appellante haar werkzaamheden met betrekking tot fokken van honden en vrijwilligerswerk niet heeft gemeld. Op geld waardeerbaar. Omvang niet vast te stellen. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4683 WWB

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 juni 2015, 15/525 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tracey. Het college is, zonder bericht, niet verschenen. Ter zitting is de door appellante aangekondigde getuige [naam getuige H] (H) gehoord.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 16 mei 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van meldingen in april en augustus 2014, dat appellante al langere tijd actief is met het fokken van honden en dat zij inkomsten heeft uit de verkoop van honden, hebben consulenten handhaving van de dienst Werk en Inkomen De Wâlden van de gemeente Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel op 18 augustus 2014 een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de consulenten handhaving onder meer dossieronderzoek gedaan, registraties van de Dienst Wegverkeer (RDW) en de Kamer van Koophandel geraadpleegd, bankafschriften van appellante en H opgevraagd en appellante op 19 augustus 2014 gehoord. Appellante heeft onder meer verklaard dat zij honden fokt en dat zij vrijwilligerswerk verricht voor de Stichting Fokregistratie en Gezondheidsbeheer (ras)Honden (FGH) en verantwoordelijk is voor het fokbeleid. Begin 2013 is zij als bestuurslid begonnen bij de Langstokhaar en Oudduitse Herder Vereniging (LSOHV) en was daar eveneens verantwoordelijk voor het fokbeleid. Daarvoor deed zij vanaf 2010 het fokbeleid bij een andere hondenfokvereniging DHCN. Uit de gegevens van de KvK blijkt dat appellante met ingang van 20 augustus 2014 ingeschreven staat als voorzitter van de FGH. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 september 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

14 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2015 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 16 mei 2012 in te trekken en de over de periode van 16 mei 2012 tot en met 31 juli 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.939,66 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door haar activiteiten en inkomsten als hondenfokster niet bij het college te melden en ook de op geld waardeerbare werkzaamheden, die ze gedurende 20 uur per week heeft verricht voor de LSOHV, niet te melden. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 16 mei 2012 tot en met 14 oktober 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante gedurende de te beoordelen periode activiteiten heeft verricht bestaande uit het verzorgen en fokken van honden en dat die activiteiten hebben geleid tot de verkoop van puppy’s voor een verkoopprijs tot € 1.000,- per pup.

4.3.

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij niet de kosten en opbrengsten van deze activiteiten heeft, omdat de honden niet haar eigendom zijn. Toen ze bijstand aan moest vragen heeft H de honden van haar overgenomen. Zo heeft zij haar honden kunnen behouden en kan ze zich blijven inzetten voor een gezonde wijze van fokken. Appellante treedt op als gastgezin voor de honden en is niet in loondienst van H.

4.4.

Deze grond slaagt niet. Het fokken van honden met als doel de gefokte honden te verkopen, is een activiteit waarvoor in het maatschappelijk verkeer normaliter een beloning wordt ontvangen of kan worden bedongen. Dat appellante deze activiteit verrichtte omdat ze nu eenmaal de honden had als hobby en ze zich inzet voor een gezonde wijze van fokken, doet er op zichzelf niet aan af dat die activiteit op geld waardeerbaar is. Daarbij wordt aangetekend dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466) het onderscheid tussen bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten voor de WWB geen relevant onderscheid is. De door appellante gestelde eigendomsoverdracht van de honden maakt niet dat de door appellante verrichte activiteiten vanaf dat moment niet langer als op geld waardeerbare activiteiten zouden zijn aan te merken. Vaststaat immers dat de honden in de gehele te beoordelen periode bij appellante hebben verbleven, dat zij de honden heeft verzorgd en dat ook het fokken en de verkoop van de pups door appellante vanuit haar woning is geregeld. Verder heeft H als getuige ter zitting verklaard dat de regeling rond de eigendomsoverdracht van de honden en vergoeding van de kosten van de verzorging in de loop van de tijd zo is gegroeid.

4.5.

Appellante heeft verder in beroep aangevoerd dat haar vrijwilligerswerk voor de LSOHV haar beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet in de weg stond. Zij heeft deze activiteiten vooral ’s avonds en in het weekeinde verricht en het aantal uren is wisselend.

4.6.

Deze grond slaagt ook niet. Appellante heeft op 19 augustus 2014 verklaard zo’n 20 uur per week voor de LSOHV en daarvoor voor de DHCN het fokbeleid van deze verenigingen te hebben verricht. Zij heeft verklaard dat zij een database voor de LSOHV en later de FGH heeft bijgehouden en dat zij daarnaast nestcontroles heeft gedaan. Deze nestcontroles heeft zij in de gehele te beoordelen periode gedaan en vonden plaats op verschillende plaatsen in Nederland, waaronder in Limburg en Zeeland. Uit de website van de FGH blijkt welke tarieven werden gevraagd voor onder andere een nestcontrole of een fokgeschiktheidskeuring. Gelet op de aard en de omvang van de door appellante verrichte werkzaamheden voor de verenigingen en de FGH zijn deze activiteiten als op geld waardeerbare activiteiten aan te merken.

4.7.

Door het fokken met de honden en haar vrijwilligerswerk niet te melden bij het college, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.9.

Hierin is appellante niet geslaagd. Appellante heeft geen administratie bijgehouden van de door haar verrichte werkzaamheden en transacties. Het door appellante in hoger beroep overgelegde overzicht van de winst en verlies van de verkoop van de pups, is onvoldoende om de omvang van de activiteiten en de daaruit verkregen inkomsten te kunnen vaststellen. Dit overzicht ziet, nog daargelaten dat de door vermelde inkomsten en uitgaven niet met objectieve en verifieerbare gegevens zijn onderbouwd, immers op de verkoop van pups door appellante in 2015 en 2016 en derhalve na de te beoordelen periode. Nu de precieze omvang van de werkzaamheden van appellante niet, ook niet bij benadering, is vast te stellen, heeft het college terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en G.M.G. Hink en

G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

sg