Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
16/4510 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten. Voorzieningenrechter rechtbank ten onrechte toepassing gegeven aan 8:86 Awb. Inhoudelijk slaagt hoger beroep niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4510 PW

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2016, 16/3350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.M. Karsten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Namens appellante is verschenen mr. Karsten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand hebben twee handhavingsmedewerkers op 24 maart 2016 een bezoek afgelegd op het door appellante opgegeven adres, [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Op het herhaaldelijk aanbellen werd niet gereageerd.

1.2.

Op 30 maart 2016 heeft een handhavingsmedewerker een brief aan appellante, met een oproep voor een gesprek op 31 maart 2016 en waarbij is vermeld dat zij bepaalde gegevens mee diende te nemen, in de brievenbus van het uitkeringsadres gedeponeerd. Appellante is, zonder bericht, niet verschenen.

1.3.

Bij besluit van 1 april 2016 heeft het college, met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW, het recht op bijstand per 31 maart 2016 opgeschort. Daarbij is appellante tevens opgeroepen voor een gesprek op 4 april 2016. Een handhavingsmedewerker heeft het opschortingsbesluit op 1 april 2016 in de brievenbus van het uitkeringsadres gedeponeerd. Ook aan die oproep heeft appellante, zonder bericht, niet voldaan.

1.4.

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW, de bijstand met ingang van 31 maart 2016 ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 1 april 2016 en 5 april 2016 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder bericht, niet op de oproepen voor 31 maart 2016 en

4 april 2016 is verschenen en dat appellante de bij die oproepen gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (voorzieningenrechter) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan, omdat niet was voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.

4.1.1.

Deze beroepsgrond slaagt. Appellante heeft het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen gedaan toen het college nog niet op haar bezwaarschrift had beslist. Nadat het bestreden besluit was genomen heeft appellante op 17 mei 2016 beroep op nader in te dienen gronden bij de rechtbank ingesteld. Het onderzoek ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft op 18 mei 2016 plaatsgevonden. Nu appellante tijdens de behandeling ter zitting van de voorzieningenrechter enkel nog een beroepschrift op nader in te dienen gronden had ingediend en niet de gelegenheid heeft gehad de gronden alsnog in te dienen, de rechtbank appellante in de uitnodiging voor de zitting niet heeft gewezen op de mogelijkheid dat onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak en evenmin is gebleken dat de voorzieningenrechter die mogelijkheid op de zitting aan de orde heeft gesteld, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2.

Uit 4.1.1 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep haar gronden tegen het bestreden besluit ingediend. De Raad ziet aanleiding de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af te doen, nu deze geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd was tot opschorting over te gaan omdat zij de uitnodiging voor het gesprek op 31 maart 2016 niet heeft ontvangen, zij wel een uitnodiging had ontvangen voor een gesprek met haar klantmanager en maatschappelijk werkster op dezelfde dag op een andere locatie en aan dat gesprek prioriteit heeft kunnen geven. Nu het opschortingsbesluit onrechtmatig is, is het daaraan gekoppelde besluit tot intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW eveneens onrechtmatig.

4.4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college mocht ervan uitgaan dat post die in de brievenbus van het uitkeringsadres van appellante werd gedeponeerd met een uitnodiging om de daarop volgende dag te verschijnen, haar zo tijdig zou bereiken dat zij aan die uitnodiging gevolg kon geven of op zijn minst om uitstel kon verzoeken. Indien deze, voor haar bestemde en op de gebruikelijke wijze bezorgde, post appellante niet tijdig heeft bereikt, komt dit naar vaste rechtspraak voor haar risico (uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1690). Voor zover appellante niet zowel aan de afspraak met de klantmanager als aan de oproep voor het gesprek met de handhavingsmedewerker kon voldoen, had het op haar weg gelegen tijdig daarover contact op te nemen met de handhavingsmedewerker.

4.5.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het college bekend was met het feit dat zij kwetsbaar is. Het college heeft bij de voorbereiding van het opschortings- en intrekkingsbesluit onzorgvuldig gehandeld door desondanks korte termijnen te hanteren voor de oproepen voor gesprekken. De handhavingsspecialist had contact moeten opnemen met de klantmanager en de maatschappelijk werkster van appellante.

4.5.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In 4.4.1 is overwogen dat de termijn van een dag op zichzelf niet zodanig kort is dat het niet mogelijk was aan de oproep gehoor te geven of op zijn minst om uitstel te verzoeken. Uit de enkele stelling van appellante dat zij kwetsbaar is volgt niet dat dit in haar geval anders is. De oproep voor het gesprek op 4 april 2016 was bovendien niet één maar drie dagen voor het geplande gesprek in de brievenbus van het uitkeringsadres gedeponeerd. Het college heeft voorts bij de keuze van de korte duur van de oproeptermijnen de melding kunnen betrekken dat er meerdere personen van het adres van appellante waren uitgeschreven en dat er sprake was van een huurachterstand.

4.6.

Uit 4.4.1 en 4.5.1 volgt dat het beroep niet slaagt.

5. Gelet op 4.2 bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 990-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J.M.M. van Dalen

IJ