Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
16/1729 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbaar te laat bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1729 PW

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
1 februari 2016, 15/6306 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 7 februari 2017. Partijen zijn, het college met tijdig bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet. Bij besluit van

26 maart 2015 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2015 verlaagd met toepassing van de kostendelersnorm. Bij brief van 16 juli 2015, op diezelfde dag ontvangen door het college, heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 24 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat haar broer voor haar de post verzorgt en dat hij het besluit van 26 maart 2015 niet heeft ontvangen. Zij heeft de ontvangst op niet ongeloofwaardige wijze ontkend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

In het geval van de niet aangetekende verzending van een besluit geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Dat is anders in gevallen waarin de ontkenning van de eerdere ontvangst als ongeloofwaardig moet worden bestempeld. In die gevallen wordt niet alleen de ontvangst aannemelijk geacht, maar ook de verzending (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG7243). Een dergelijk geval doet zich hier echter niet voor. De rechtbank is er gelet daarop terecht van uitgegaan dat het college de verzending van het besluit van 26 maart 2015 aannemelijk moet maken. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het college in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het college de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van appellante voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient zij feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.3.

Niet in geschil is dat het besluit van 26 maart 2015 juist is geadresseerd. Voorts heeft het college met de overgelegde uitdraai van het registratiesysteem Socrates en de daarin

- onbestreden - vermelde gegevens de verzending van dat besluit op 26 maart 2015 aannemelijk gemaakt. Met de stelling dat zij ziek is, dat haar broer om die reden voor haar de post verzorgt en dat hij het besluit van 26 maart 2015 niet heeft gezien, heeft appellante het vermoeden van ontvangst van dat besluit niet ontzenuwd.

4.4.

Voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, bestaat gelet op 4.3 geen grond.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD