Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
15/5485 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een AOW-uitkering toe te kennen wegens het nog niet bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Toekenning prepensioen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant op grond van het EU-recht geen recht heeft op een vervroegd AOW-pensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5485 AOW

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 juli 2015, 14/8442 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Luxemburg (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1951 en woont sinds juni 2003 in Luxemburg. Op 10 mei 2017 zal appellant de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Appellant heeft in februari 2014, via de Luxemburgse Caisse Nationale d’Assurances Pension (CNAP), bij de Svb een aanvraag gedaan om toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen, omdat appellant nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

1.3.

Appellant heeft ook in Luxemburg een ouderdomspensioen aangevraagd. Bij besluit van 11 juni 2014 heeft de CNAP aan appellant met ingang van 9 februari 2014 een prépensioen toegekend.

1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 26 februari 2014 bezwaar gemaakt, omdat hij op grond van het EU-recht aanspraak meent te maken op een vervroegd AOW-pensioen per

9 februari 2014.

1.5.

De Svb heeft, voor zover van belang, bij beslissing op bezwaar van 15 januari 2015 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat het de rechtbank niet duidelijk is geworden op welke EU-regeling appellant een beroep heeft gedaan ter verkrijging van een vervroegd recht op AOW-pensioen. De rechtbank is ook ambtshalve niet gebleken van het bestaan van enige regeling waaruit het recht op een

AOW-pensioen vóór het bereiken van de wettelijke gerechtelijke pensioenleeftijd zou kunnen worden afgeleid. De rechtbank is met de Svb van oordeel dat het bestaan van een dergelijke regeling tot rechtsongelijkheid zou leiden. Het recht van appellant op een AOW-pensioen in Nederland is wettelijk geregeld en zal pas in 2017 ingaan.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de Svb hem op grond van het EU-recht een vervroegd AOW-pensioen dient toe te kennen per 9 februari 2014, gelijk aan de datum waarop aan hem een Luxemburgs prépensioen is toegekend. Volgens appellant is daarbij van belang dat nationale stelsels van sociale zekerheid op grond van het EU-recht geharmoniseerd dienen te worden. Tot slot heeft appellant een beroep gedaan op artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant op grond van het EU-recht geen recht heeft op een vervroegd AOW-pensioen.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, wordt daar het volgende aan toegevoegd.

4.3.

De wijze waarop de hoogte van ouderdomspensioenen wordt vastgesteld van personen die binnen de werkingssfeer van de Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) vallen, is geregeld in titel III, Hoofdstuk 5 van Vo 883/2004.

4.4.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder a, Vo 883/2004 berekent het bevoegde orgaan het bedrag van de verschuldigde uitkering krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving alleen als uitsluitend op grond van de nationale wetgeving is voldaan aan de voorwaarden die recht geven op een uitkering (autonoom pensioen). Ingevolge het vierde lid van dit artikel ziet het bevoegde orgaan onder de in de uitvoeringsverordening vastgestelde voorwaarden van de berekening pro rata af, indien de berekening overeenkomstig lid 1, onder a), in één bepaalde lidstaat altijd als resultaat heeft dat het autonoom pensioen gelijk is aan of hoger is dan de overeenkomstig lid 1, onder b), berekende pro rata-uitkering, en worden dergelijke situaties gespecificeerd in Bijlage VIII. In Bijlage VIII van Vo 883/2004 is onder het opschrift "gevallen waarin de onafhankelijke prestatie even hoog of hoger is dan de prestatie pro rata" in onderdeel D (Nederland) vermeld: “alle aanvragen om ouderdomspensioenen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW)”. Dit betekent dat ingevolge artikel 52 van Vo 883/2004 het AOW-pensioen niet pro rata wordt berekend, maar naar nationaal recht.

4.5.

Niet in geschil is dat niet is voldaan aan de voorwaarden van nationaalrechtelijke bepalingen van de AOW ter verkrijging van een recht op AOW-pensioen. Artikel 52 van
Vo 883/2004 kan geen rol spelen bij het verkrijgen van een vervroegd recht op AOW‑pensioen.

4.6.

Met betrekking tot de ingangsdatum van het AOW-pensioen heeft de Svb ter zitting terecht opgemerkt dat Vo 883/2004 ziet op coördinatie van de systemen van sociale zekerheid van de lidstaten en niet op harmonisatie. Het Hof heeft in het arrest Jeltes (HvJEU 11 april 2013, C-443/11, ECLI:EU:C:2013:224, punt 40 tot en met 43) overwogen dat de uniewetgever met het vaststellen van Vo 883/2004 in beginsel heeft voldaan aan de verplichting om een stelsel in te voeren dat de werknemers in staat stelt om de hindernissen te overwinnen die voor hen kunnen voortvloeien uit de nationale voorschriften inzake de sociale zekerheid. Omdat artikel 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in een coördinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regeling van de lidstaten voorziet, raakt dit artikel niet aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij aangesloten personen. In deze omstandigheden kunnen de Verdragsregels betreffende het vrije verkeer een verzekerde niet garanderen dat een verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied, kan een dergelijke verplaatsing immers, naargelang het geval, financieel meer of minder voordelig zijn voor de aangesloten persoon (zie ook HvJEU 16 juli 2009, C-208/07
von Chamier-Glisczinski, ECLI:EU:C:2009:455, punt 84 en 85 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Opgemerkt kan nog worden dat de verplaatsing van appellant van Nederland naar Luxemburg hem het voordeel heeft gebracht dat hij in aanmerking komt voor een Luxemburgs ouderdomspensioen met een lagere pensioengerechtigde leeftijd dan de AOW kent. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtspraak van het HvJEU er niet toe noopt dat de Svb – in weerwil van de AOW – de lagere Luxemburgse pensioengerechtigde leeftijd toepast.

4.7.

Tot slot wordt overwogen dat het beroep op artikel 6 van het EVRM niet slaagt, nu niet is gebleken dat appellant geen eerlijk proces heeft gehad.

4.8.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) A.M.C. de Vries

UM