Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
16/367 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door CAK verzonden herstelbrief van 5 maart 2015 maakt dat de onjuiste factuur van 19 februari 2015, nog daargelaten welk concreet vertrouwen appellant hieraan zou hebben kunnen ontlenen, niet leidt tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. In deze brief heeft CAK appellant immers binnen twee weken bericht dat op de factuur van 19 februari 2015 een verkeerde eigen bijdrage staat vermeld en dat dit met correctiefacturen zal worden gecorrigeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/367 WMO

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
4 december 2015, 15/1686 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door
L. Remmersdaal en mr. M.A.H. Engelen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in 2015 een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

1.2.

Bij besluit van 19 januari 2015 heeft CAK de door appellant verschuldigde eigen bijdrage per 1 januari 2015 vastgesteld op € 724,79 per kalendermaand, onder vermelding dat dit de hoge eigen bijdrage betreft.

1.3.

In een factuur van 19 februari 2015 heeft CAK over de maanden januari 2015 en
februari 2015 een bedrag van € 226,78 per maand in rekening gebracht.

1.4.

Bij brief van 5 maart 2015 heeft CAK appellant geïnformeerd dat met de factuur van
19 februari 2015 een onjuiste eigen bijdrage in rekening is gebracht.

1.5.

In een factuur van 19 maart 2015 heeft CAK de te betalen eigen bijdrage over 2015 gecorrigeerd en voor de maanden januari 2015 en februari 2015 alsnog een bedrag van in totaal € 996,02 in rekening gebracht.

1.6.

Bij besluit van 23 juni 2015 (bestreden besluit) heeft CAK de bezwaren tegen het besluit van 19 januari 2015 en de factuur van 19 maart 2015 ongegrond verklaard. Hieraan heeft CAK ten grondslag gelegd dat appellant verblijft in een instelling voor beschermd wonen en dat voor hem op grond van artikel 3.11, eerste lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 de hoge eigen bijdrage geldt. Appellant heeft in redelijkheid niet mogen vertrouwen op de factuur van 19 februari 2015 met een aanzienlijk lager maandbedrag, nu appellant met de brief van 5 maart 2015 binnen twee weken op de hoogte is gesteld van de onjuist in rekening gebrachte eigen bijdrage. Ook had de verwijzing naar het besluit van 19 januari 2015 reeds vragen over de juistheid van de factuur bij appellant moeten oproepen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat CAK overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 de door appellant verschuldigde eigen bijdrage heeft vastgesteld en berekend. Verder kon appellant aan de factuur van 19 februari 2015 niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de eigen bijdrage, zoals deze was vastgesteld bij besluit van 19 januari 2015, naar beneden was bijgesteld.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft hij zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald. Verder heeft hij aangevoerd dat uit de bewoordingen in het primaire besluit volgt dat CAK een eigen bijdrage heeft vastgesteld voor een vorm van zorg waarvan hij geen gebruik maakt. Ten slotte heeft appellant verzocht om vergoeding van door hem geleden renteschade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant gebruik maakt van een voorziening voor beschermd wonen en dat appellant op grond van artikel 3.1, eerste en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor deze maatwerkvoorziening een bijdrage verschuldigd is.

4.2.

In het bestreden besluit heeft CAK toegelicht dat reeds aan het primaire besluit ten grondslag ligt dat appellant ongehuwd is en in een instelling voor beschermd wonen verblijft, als gevolg waarvan voor appellant op grond van artikel 3.11, eerste lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 de hoge eigen bijdrage geldt. Dat eerst in het bestreden besluit in plaats van de bewoordingen “zorg met verblijft” de juiste terminologie is gehanteerd en het wettelijk kader nader uiteen is gezet, maakt, anders dan appellant heeft betoogd, niet dat sprake is van een onrechtmatig primair besluit dat door CAK had moeten worden herroepen.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door CAK verzonden herstelbrief van
5 maart 2015 maakt dat de onjuiste factuur van 19 februari 2015, nog daargelaten welk concreet vertrouwen appellant hieraan zou hebben kunnen ontlenen, niet leidt tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. In deze brief heeft CAK appellant immers binnen twee weken bericht dat op de factuur van 19 februari 2015 een verkeerde eigen bijdrage staat vermeld en dat dit met correctiefacturen zal worden gecorrigeerd.

4.4.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) I.G.A.H. Toma

KP