Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
13/4286 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4286 WIA

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 juli 2013, 12/4915 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 29 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1713) een tussenuitspraak gedaan.

Inmiddels had appellant op 4 maart 2016 een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gedaan.

Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt voor het aandeel van de bestuursrechter hierin.

Bij brief van 9 augustus 2016 heeft het Uwv de Raad bericht over de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven.

Bij brief van 16 augustus 2016 heeft appellant een zienswijze naar voren gebracht.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak naar de enkele kamer verwezen, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor de feiten en omstandigheden waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat.

1.2.

In de tussenuitspraak is de Raad tot het oordeel gekomen dat het Uwv ten onrechte de Amber-beoordeling als bedoeld in artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bij appellant achterwege heeft gelaten. Het Uwv is opgedragen alsnog, alvorens tot een beoordeling van het recht van appellant op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) te komen, vast te stellen welke gevolgen de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

16 januari 2012 opgenomen beperkingen voor de WAO-beoordeling hebben. Daarbij is het Uwv opgedragen in elk geval in zijn overweging te betrekken dat de verzekeringsarts in het aan het besluit van 28 november 2012 ten grondslag liggende rapport van 8 oktober 2012 heeft geconcludeerd dat appellant zich in 2009 ziek heeft gemeld wegens psychische klachten, die geen enkele rol speelden bij de beperkingen waarvoor appellant eerder een

WAO-uitkering had ontvangen. Voorts is uit de eerder aan appellant toegekende

WAO-uitkering ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige rapporten gebleken dat deze uitkering louter gebaseerd was op voor appellant aangenomen lichamelijke beperkingen, onder andere in verband met rugklachten. In de aan de intrekking van de WAO-uitkering ten grondslag liggende FML van 23 augustus 2005 zijn geen beperkingen opgenomen met betrekking tot de aspecten tillen of dragen en frequent hanteren van zware lasten tijdens het werk. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML van 16 januari 2012 blijkt echter dat appellant op deze aspecten wel beperkt is geacht. Gelet hierop is het Uwv opgedragen het in het Amber-besluit van 28 november 2012 ingenomen standpunt dat niet gebleken is van toegenomen beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak, nader te motiveren.

1.3.

Bij brief van 9 augustus 2016 heeft het Uwv door middel van overlegging van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 juni 2016 en 5 augustus 2016 nader gemotiveerd dat geen sprake is van een toename van beperkingen uit de ziekteoorzaak zoals die aanwezig waren ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering per 27 november 2005 en dat daarom met betrekking tot de melding van arbeidsongeschiktheid met ingang van

23 oktober 2009 niet kan worden gesteld dat sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld is in artikel 43a van de WAO. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in voormelde rapporten uitgebreid toegelicht niet te kunnen verklaren waarom de verzekeringsarts appellant op 16 januari 2012 beperkt heeft geacht in verband met rugklachten. Deze zijn ook niet vastgesteld bij het onderzoek van de Duitse arts Von Teichmann van 23 november 2011, waarop de bevindingen van de verzekeringsarts mede zijn gebaseerd. Vervolgens heeft ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 18 oktober 2012 te kennen gegeven dat onderzoek van de rug geen afwijkende bevindingen heeft opgeleverd. De belastbaarheid is wel beperkt op grond van een longfunctiestoornis, maar dit betrof een evident andere ziekteoorzaak.

2. Met deze rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv voldoende toegelicht dat met betrekking tot de melding van arbeidsongeschiktheid met ingang van

23 oktober 2009 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO. De niet met nadere medische stukken onderbouwde zienswijze van appellant geeft geen aanleiding tot een ander oordeel.

3. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere gronden aangevoerd tegen de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de

WIA-beoordeling. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank in zoverre en maakt de haar voor dit oordeel gegeven motivering tot de zijne.

4. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Uwv het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft hersteld. Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep inzichtelijk is geworden, zal dit besluit worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, zal worden vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit zullen in stand worden gelaten.

5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), te rekenen vanaf 19 maart 2012, het tijdstip waarop appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 februari 2012.

6. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 maart 2012 tot de datum van de uitspraak van de Raad op 10 maart 2017 is een periode van bijna vijf jaar verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dat betekent dat de redelijke termijn met bijna een jaar is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van tweemaal € 500,-.

7.1.

In een geval als dit, waarin de tussenuitspraak de Raad heeft geleid tot een nadere motivering van het bestreden besluit door het bestuursorgaan, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hogerberoepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

7.2.

Voor dit geval betekent dit het volgende. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 3 december 2012 tot de tussenuitspraak op 29 april 2016 heeft minder dan drie en een half jaar geduurd. De Raad doet met deze uitspraak binnen een jaar na ontvangst van de reactie van het Uwv van 9 augustus 2016 op de tussenuitspraak einduitspraak. Dit betekent dat het tijdsverloop vanaf 19 maart 2012 tot de dag van deze uitspraak voor rekening komt van het bestuursorgaan. Het Uwv zal worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- (2 x € 500,-).

8. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellant in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op € 72,29. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen in de door appellant gestelde verletkosten wordt afgewezen, omdat deze kosten niet nader zijn gedocumenteerd.

9. Er is aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 24 oktober 2012;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 72,29;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 160,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) N. van Rooijen

UM