Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
15/4319 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek om toekenningen op grond van de Wubo op goede gronden afgewezen. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs heeft ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4319 WUBO

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2015, kenmerk BZ01812750 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Daar is appellante verschenen, bijgestaan door B.R. Hilliger, maatschappelijk werker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1939. Bij besluit van 17 november 1997 is zij erkend als oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo. Aanvaard is dat zij tijdens de zogenoemde

Bersiap-periode geïnterneerd is geweest in de kampen Gandjoeran en Minangkabau. De door appellante gevraagde toekenningen zijn geweigerd op de grond dat het aanvaarde oorlogsgeweld niet heeft geleid tot psychische en/of lichamelijke invaliditeit als bedoeld in de Wubo.

1.2.

Op dezelfde gronden is bij besluit van 24 september 2002 de aanvraag van februari 2002 afgewezen.

1.3.

In december 2011 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 16 april 2012 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 februari 2013. Het tegen het besluit van 4 februari 2013 ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3718. Overwogen is dat van de aanwezigheid van appellante bij de mishandeling van haar vader en het doodschieten van twee krijgsgevangenen onvoldoende bevestiging is verkregen. Verder is het op medische adviezen gebaseerde standpunt van verweerder onderschreven dat niet is gebleken dat ten tijde van de aanvraag van appellante sprake was van invaliditeit in de zin van de Wubo. Daarbij is in aanmerking genomen dat de door appellante geraadpleegde psychiater H.S.R. Witte in zijn rapport van 8 oktober 2012 ook niet tot die conclusie komt. Het in beroep ingediende nadere rapport van deze psychiater van 28 april 2014, waarin verdergaande beperkingen bij appellante worden vastgesteld, geeft niet de situatie weer ten tijde van de aanvraag in dat geding.

1.4.

Onder verwijzing naar de onder 1.3 genoemde rapportages van Witte en een rapportage van de arts A.S.E.P. Textor van 2 juli 2012 die appellante heeft onderzocht in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), heeft appellante in oktober 2014 nogmaals verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Appellante heeft daarbij gesteld dat haar psychische klachten zijn verergerd. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 1 december 2014 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op gronden ontleend aan artikel 61, lid 3, van de Wubo. Daarbij is overwogen dat ook nu niet is gebleken dat de psychische klachten van appellante gerelateerd kunnen worden aan het (aanvaarde) oorlogsgeweld.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Om in aanmerking te komen voor toekenningen op grond van de Wubo dient bij de betrokkene sprake te zijn van tot blijvende invaliditeit leidend lichamelijk of psychisch letsel als gevolg van het ondergane oorlogsgeweld. Uit de medische gegevens waarop de afwijzing van de eerdere aanvragen zijn gebaseerd, blijkt dat eerder een verband tussen de psychische klachten en het oorlogsgeweld niet is aanvaard. Verweerder heeft zich hier kunnen beperken tot een (her)beoordeling van de vraag of de bij appellante aanwezige psychische klachten (nu wel) verband houden met het oorlogsgeweld.

2.2.

Het standpunt van verweerder dat de bij appelante aanwezige psychische klachten (ook nu) niet aan het oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven is in eerste instantie gebaseerd op het advies van de geneeskundig adviseur R. Loonstein, arts. Bij zijn advisering heeft hij ook betrokken de onder 1.3 en 1.4 genoemde rapportages van Witte en Textor en de rapportages van onderzoeken die in het kader van de eerdere aanvragen zijn verricht. Op basis van deze gegevens concludeert Loonstein dat de psychische klachten nog steeds geen verband houden met het ondergane oorlogsgeweld.

2.3.

Het bezwaar is voorgelegd aan een andere geneeskundige, arts R. Roelofs. Op basis van het bezwaar en na heroverweging van het advies van Loonstein concludeert hij dat het eerdere advies van Loonstein op goede gronden tot stand is gekomen en niet gewijzigd hoeft te worden.

2.4.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs heeft ingenomen. Anders dan door appellante is betoogd is bij de (medische) beoordeling van de aanvraag wel betrokken het rapport van Witte van 2014, maar geoordeeld is dat het rapport grotendeels identiek is aan zijn eerdere rapport van 2012. Het standpunt dat de geneeskundig adviseur van verweerder een één op één gesprek met appellante had moeten voeren, wordt niet onderschreven. Het is ter beoordeling van de geneeskundige of hij een dergelijk gesprek nodig acht. Dat een dergelijk gesprek hier achterwege is gelaten, maakt niet dat de medische advisering om die reden onzorgvuldig zou zijn. Medische gegevens waaruit blijkt dat de bij appellante aanwezige psychische klachten wel aan het aanvaarde oorlogsgeweld moeten worden toegeschreven zijn dan ook niet aanwezig.

2.5.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

JL