Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
15/7881 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Het tijdelijke voortzetten van voorzieningen na het overlijden van de vervolgde volgt uit het Besluit vervallen verklaring causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 204, 282) en is bedoeld om het nadelig inkomenseffect ná overlijden van de vervolgde enigszins te verzachten. Dat is van een andere orde dan het intrekken van voorzieningen wegens opname van appellante in een zorginstelling. Het verrichten van de huishoudelijke werkzaamheden behoort immers tot het verzorgingspakket van de zorginstelling. Appellante hoeft dan ook geen hulp in te schakelen en maakt zo geen extra kosten meer. Met de opname in een zorginstelling worden in beginsel ook geen kosten meer gemaakt waarop de tegemoetkoming DMV ziet. Door de opname van appellante in een zorginstelling ziet haar echtgenoot zich weliswaar geconfronteerd met het wegvallen van de zorg voor de huishouding, maar daarin heeft verweerder terecht geen reden gezien om van het beleid af te wijken. Wat appellante heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7881 WUV

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 november 2015, kenmerk BZ01897105 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Daar is namens appellante mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1941 in het toenmalig Nederlands-Indië, is bij besluit van 29 mei 2015 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aan haar zijn met ingang van 1 september 2014 toegekend een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming (standaard normbedrag) in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV).

1.2.

Nadat verweerder bericht had ontvangen dat appellante is opgenomen in een zorginstelling heeft verweerder bij besluit van 13 juli 2015 de aan appellante toegekende voorzieningen voor huishoudelijke hulp en DMV ingetrokken met ingang van 1 augustus 2015. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante door haar verblijf in de zorginstelling in zoverre geen extra kosten meer maakt. Het hiertegen gemaakt bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.3.

Een aanvraag van appellante van augustus 2015 heeft ertoe geleid dat verweerder bij besluit van 10 november 2015 met ingang van 1 augustus 2015 aan appellante een vergoeding heeft toegekend in de vorm van een half dagdeel huishoudelijke hulp per week vanwege de extra kosten die bij een verblijf in een zorginstelling verbonden zijn aan het laten doen van de was. Met ingang van eveneens 1 augustus 2015 is appellante in aanmerking gebracht voor een tegemoetkoming (naar laag normbedrag) DMV.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met betrekking tot de voorzieningen van huishoudelijke hulp en DMV hanteert verweerder het beleid dat deze voorzieningen worden ingetrokken bij opname van de betrokkene in een verzorgings- of verpleeghuis. De gedachte daarachter is dat de betrokken zorginstelling verantwoordelijk is voor de noodzakelijke huishoudelijke hulp en dat de betrokkene in beginsel niet langer kosten maakt die onder deze voorzieningen vallen. In vaste rechtspraak heeft de Raad dit beleid aanvaard (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6974).

2.2.

Verweerder heeft met het intrekken van de voorzieningen voor huishoudelijke hulp en DMV overeenkomstig het hiervoor genoemde beleid gehandeld. Dit wordt door appellante ook niet bestreden. Appellante stelt zich echter op het standpunt dat het onder 2.1 genoemde beleid aanpassing behoeft, in die zin dat de voorzieningen niet rauwelijks kunnen worden ingetrokken, maar eerst onderzocht moet worden of er argumenten zijn om de voorzieningen niet in te trekken. Gezien de (tijdelijke) continuering van voorzieningen na het overlijden van de vervolgde acht appellante het niet redelijk dat het beleid geen rekening houdt met die gevallen waarin de partner, zoals de echtgenoot van appellante, in de echtelijke woning is blijven wonen.

2.3.

Het betoog van appellante treft geen doel. Het tijdelijke voortzetten van voorzieningen na het overlijden van de vervolgde volgt uit het Besluit vervallen verklaring causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 204, 282) en is bedoeld om het nadelig inkomenseffect ná overlijden van de vervolgde enigszins te verzachten. Dat is van een andere orde dan het intrekken van voorzieningen wegens opname van appellante in een zorginstelling. Het verrichten van de huishoudelijke werkzaamheden behoort immers tot het verzorgingspakket van de zorginstelling. Appellante hoeft dan ook geen hulp in te schakelen en maakt zo geen extra kosten meer. Met de opname in een zorginstelling worden in beginsel ook geen kosten meer gemaakt waarop de tegemoetkoming DMV ziet. Door de opname van appellante in een zorginstelling ziet haar echtgenoot zich weliswaar geconfronteerd met het wegvallen van de zorg voor de huishouding, maar daarin heeft verweerder terecht geen reden gezien om van het beleid af te wijken. Wat appellante heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.4.

Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

JL