Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
15/4147 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3751, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bevordering, aangezien de beoordeling niet voldoet aan de norm van 80% uitstekend. De beheerders van de voormalige politiekorpsen kwam de bevoegdheid toe een nadere invulling te geven aan het begrip “boven de norm”. Met de daaraan gegeven invulling in de vorm van een rekenkundig criterium - ten minste 80% van de competenties met de score uitstekend (4) - is binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven. Ten aanzien van de beoordeling volgt de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4147 AW, 15/6029 AW

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

2 juni 2015, 14/4723 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K. Kromhout een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn schriftelijke zienswijze omtrent het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.J.M. Suijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Kromhout.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene is als politieambtenaar aangesteld bij de voormalige [regio]

, thans de [Eenheid] .

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782; circulaire).

1.3.

Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’. In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

1.4.

Bij de voormalige [regio] is het criterium van een beoordeling “boven de norm” zodanig ingevuld dat 80% van de beoordeelde competenties de score uitstekend (4) moeten hebben. De bevordering is bedoeld voor politieambtenaren die bovenmatig functioneren. Daarbij is aansluiting gezocht bij het beleid ten aanzien van het bevorderen bij excellerend presteren. Een medewerker kon op basis van dit beleid eerder bevorderd worden indien zijn functioneren als uitmuntend en voortreffelijk te kwalificeren was. In het Regionaal Management Team van het voormalige korps [regio] is de norm van 80% uitstekend na overleg met de ondernemingsraad vastgesteld. Er is voor een percentage gekozen, omdat meerdere functies met een verschillend aantal competenties op grond van het loopbaanbeleid HAP II voor bevordering in aanmerking kwamen.
1.5. Betrokkene heeft in 2012 verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP.

1.6.

Naar aanleiding van dit verzoek is op 31 augustus 2013 een conceptbeoordeling opgesteld. In de beoordeling zijn acht competenties betrokken. De beoordelaar heeft het functioneren van betrokkene op elk van de competenties uitvoerig beschreven, resulterend in een eindscore per competentie. De beoordelaar heeft op de competenties integriteit, professionaliteit/vakmanschap, klantgerichtheid, eigenstandigheid, collegialiteit, organiseren van het werk en analytisch vermogen score 4 toegekend en op de competentie initiatief

score 3/4 (1 = onvoldoende, 2 = matig, 3 = voldoende en 4 = uitstekend).

1.7.

Op 27 november 2013 heeft de districtschef de beoordeling vastgesteld. Uit de bij die beoordeling behorende bijlage van 26 november 2013 volgt dat de districtschef, overeenkomstig zijn voornemen hiertoe waarop betrokkene en de beoordelaar hun mondelinge zienswijzen hebben gegeven, de door de beoordelaar opgemaakte conceptbeoordeling met toepassing van artikel 7, zevende lid, van het Beoordelingsreglement 2005 heeft gewijzigd. Aan die wijziging ligt ten grondslag dat de conceptbeoordeling niet in lijn is met de eerder opgemaakte beoordeling van 3 februari 2013 over grotendeels dezelfde beoordelingsperiode. De districtschef heeft de door de beoordelaar op de competenties professionaliteit/vakmanschap, klantgerichtheid, eigenstandigheid en organiseren van het werk toegekende score van 4 laten vervallen en alle vervangen door de score die de beoordelaar in de beoordeling van 25 februari 2013 heeft gegeven, zijnde 3/4. Dit heeft als eindresultaat dat drie competenties zijn beoordeeld met uitstekend en de overige vijf competenties zijn beoordeeld met “voldoende/uitstekend”.

1.8.

Bij besluit van 10 december 2013 is afwijzend beslist op het verzoek om bevordering. Daaraan ligt ten grondslag dat de beoordeling niet voldoet aan de norm van 80% uitstekend.

1.9.

Bij besluit van 5 juni 2014 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 27 november 2013 en 10 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep ongegrond verklaard, voor zover gericht tegen de handhaving van het besluit van 27 november 2013, het beroep gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de handhaving van het besluit van 10 december 2013, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2013 gegrond verklaard, het besluit van

10 december 2013 herroepen en appellant opgedragen betrokkene te bevorderen naar de functie van Senior GGP met ingang van de datum waarop zij aan alle voorwaarden voldeed.

2.1.

Aan het oordeel van de rechtbank over de beoordeling ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 7, zevende lid, van het Beoordelingsreglement 2005 om de door de beoordelaar opgemaakte conceptbeoordeling van 31 augustus 2013, die is opgemaakt in het kader van het HAPII-beleid, te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de beoordeling van 3 februari 2013. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de, op

25 februari 2013 vastgestelde, beoordeling van 3 februari 2013, opgemaakt in het kader van het volgen van een opleiding. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijze van functioneren en de beoordeling die aan de verschillende competenties wordt gegeven niet afhankelijk behoort te zijn van het doel van de beoordeling. De omstandigheid dat voor de conceptbeoordeling twee informanten zijn geraadpleegd en verschillende competenties uitgebreider zijn omschreven, leiden evenmin tot een ander oordeel. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bij het besluit van 27 november 2013 vastgestelde beoordeling onhoudbaar is.

2.2.

Aan het oordeel van de rechtbank over de bevordering naar de functie van senior GGP ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant heeft de grenzen van zijn beoordelingsruimte overschreden met de invulling van het criterium “boven de norm”. Nu niet in geschil is dat de norm “voldoende” (3) is, kan een beoordeling met een eindscore hoger dan voldoende niet in redelijkheid anders worden aangemerkt dan als een beoordeling “boven de norm”. Het functioneren van betrokkene is op alle acht beoordeelde competenties hoger gewaardeerd dan voldoende en is daarmee boven de norm beoordeeld, zodat betrokkene voldeed aan alle voorwaarden voor doorstroming naar de functie van Senior GGP.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de voormalige [regio] een onjuiste invulling heeft gegeven aan het criterium “boven de norm”.

3.2.

In haar voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft betrokkene aangevoerd dat de districtschef in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid de conceptbeoordeling van 31 augustus 2013 te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de beoordeling van 3 februari 2013. De beoordelaar heeft volgens betrokkene de scores weloverwogen toegekend en bovendien duidelijk gemotiveerd waar de verschillen in de beoordelingen vandaan komen. De conceptbeoordeling had dan ook in stand moeten blijven en in dat geval was sprake van een beoordeling “boven de norm”. Voorts heeft betrokkene een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onder verwijzing naar de uitspraken van 30 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2551 en ECLI:NL:CRVB:2015:2552) en 19 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1850) is de Raad van oordeel dat de beheerders van de voormalige politiekorpsen de bevoegdheid toekwam een nadere invulling te geven aan het begrip “boven de norm” en dat met de in de voormalige [regio] daaraan gegeven invulling in de vorm van een rekenkundig criterium - ten minste 80% van de competenties met de score uitstekend (4) - binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.

4.2.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 volgt dat het hoger beroep van de korpschef slaagt.

4.3.

Ten aanzien van de beoordeling volgt de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd.

Ter zitting is komen vast te staan dat de op 25 februari 2013 vastgestelde beoordeling en de conceptbeoordeling van 31 augustus 2013 door dezelfde beoordelaar en over grotendeels dezelfde periode is opgemaakt. Dat de beoordeling van 25 februari 2013 is opgemaakt in het kader van het volgen van een opleiding en dat de beoordelaar in zijn mail van 25 oktober 2013 heeft gesteld dat die waardering - gelet op de gegevens die informanten bij het opmaken van de conceptbeoordeling hebben verstrekt - achteraf bezien te laag is uitgevallen, is onvoldoende om te oordelen dat de beoordeling van 27 november 2013 wat betreft de scores op de verschillende competenties door de districtschef niet in overeenstemming mocht worden gebracht met de eerder vastgestelde en in rechte vaststaande beoordeling. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat de beoordeling niet afhankelijk dient te zijn van het doel ervan. Daarbij acht de Raad van belang dat de beschrijving van het functioneren van betrokkene op de competenties integriteit, klantgerichtheid, eigenstandigheid, collegialiteit, analytisch vermogen en initiatief in de conceptbeoordeling (nagenoeg) gelijk is aan de beschrijving in de beoordeling van 25 februari 2013. Dit is ook door betrokkene erkend. Voor zover op grond van de aanvullende tekst in de conceptbeoordeling al aannemelijk zou zijn dat de wijziging door de districtschef van de score op de competenties professionaliteit/vakmanschap en organiseren van het werk onhoudbaar is en ten aanzien van die competenties de hogere score van 4 (uitstekend) gerechtvaardigd zou zijn, zou evenmin aan het criterium 80% uitstekend zijn voldaan. De beoordeling zou dan immers bestaan uit vijf competenties met score 4 en drie competenties met score 3/4.

4.4.

Betrokkene heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan en daartoe aangevoerd dat haar collega, hoewel hij evenmin voldeed aan het rekenkundig criterium - ten minste 80% van de competenties met de score uitstekend (4) -, niettemin is bevorderd naar de functie van Senior GGP. Voor zover het geval van betrokkene en dat van haar collega al te vergelijken zijn onderschrijft de Raad het standpunt van appellant dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver gaat dat een eenmaal ten aanzien van een ambtenaar bij de toepassing van regelgeving gemaakte fout, zoals hier het geval is, herhaald moet worden ten aanzien van een andere ambtenaar in een gelijke situatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

4.5.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 en 4.4 volgt dat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

4.6.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit, in zijn geheel, ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

IJ