Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
16/3618 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2859, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beoordeling. De onvoldoende score voor ‘werkwijze’ houdt stand. Een vakantieperiode van een deel van het jaarlijkse vakantieverlof in een tijdvak van zes maanden kan niet ongebruikelijk genoemd worden. Daar komt bij dat appellant nog minder zaken had afgewerkt dan het voor hem aanvankelijk geldende uiterste minimum. 2) Ontslag. Geen grond om te oordelen dat appellant geen reële verbeterkans is geboden. De onvoldoende beoordeling en het intensieve verbetertraject vormen voldoende grondslag voor het ongeschiktheidsontslag. Niet gezegd kan worden dat het bestuur niet van deze ontslagbevoegdheid gebruik mocht maken. 3) Re-integratieplan. De omstandigheid dat het bezoldigingsniveau van de tijdelijke werkzaamheden twee schalen lager was is geen grond om die werkzaamheden niet passend te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/92

Uitspraak

16/3618 AW

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 april 2016, 15/4810 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Avres als rechtsopvolger van het bestuur van de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank [vestigingsplaats] (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E. Schat hoger beroep ingesteld.

Mr. E.A.M. van Gaal, advocaat, heeft namens het bestuur een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bellod. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Gaal, drs. J. Visser en A. de Bruin.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf maart 2011 werkzaam in de functie van [naam functie] bij de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank [vestigingsplaats] . Hij was ook [lid van] de Ondernemingsraad (OR). Vanwege de geringe productie van appellant vergeleken met de productie van zijn collega’s heeft de leidinggevende tijdens het jaargesprek op 20 maart 2014 aangekondigd een verbetertraject te starten en aan het einde hiervan een beoordeling over het functioneren van appellant te maken. Enkele dagen nadien heeft de leidinggevende kenbaar gemaakt dat het verbetertraject van 1 april 2014 tot 1 juli 2014 zal lopen. Dit traject is verlengd tot 1 oktober 2014 omdat de productie van appellant in de eerste drie maanden niet was verbeterd.

1.2.

Bij besluit van 19 november 2014 heeft het bestuur een beoordeling vastgesteld over het functioneren van appellant in de periode van 1 april 2014 tot 1 oktober 2014 (beoordeling). De samenvattende conclusie hiervan luidt A, onvoldoende. Na een voornemen, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het bestuur appellant bij besluit van

29 december 2014 ingaande 1 januari 2016 ontslag verleend met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken (ontslagbesluit). Nadat appellant gebruik had gemaakt van de gelegenheid om zijn reactie te geven op een concept re-integratieplan heeft het bestuur bij besluit van

24 februari 2015 met toepassing van artikel 10d:10 van de CAR/UWO het

re-integratieplan vastgesteld (re-integratieplan). De tegen de beoordeling, het ontslagbesluit en het re-integratieplan gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 7 juli 2015 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, ongegrond verklaard, behoudens het herstel van de in de beoordeling per abuis vermelde te lage score voor het gezichtspunt ‘uitdrukkingsvaardigheid’.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het beoordelingsbesluit
4.1. Bij het bestreden besluit is de score voor het gezichtspunt ‘werkwijze’ in de beoordeling gehandhaafd op onvoldoende. De reden daarvoor was dat appellant in de beoordelingsperiode 24 in plaats van de benodigde 35 zaken had afgehandeld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat een productie-eis van 70 zaken per jaar een gebruikelijke en haalbare norm is. Zij heeft voorts geoordeeld dat voor appellant in het tijdvak 1 april 2014 tot 1 oktober 2014 een productienorm van 35 zaken gold en mocht gelden, omdat appellant in die periode anders dan voorheen geen werkzaamheden voor de OR hoefde te verrichten.

4.1.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald, dat voor hem over het tijdvak van 1 april 2014 tot 1 oktober 2014 ten onrechte een productie-eis van 35 zaken is gesteld en dat zijn productie in dat tijdvak niet onvoldoende was.

4.1.2.

Blijkens het verslag van het op 20 maart 2014 gehouden jaargesprek is voor het komende jaar een productiedoel voor appellant gehandhaafd van minimaal 50 zaken. Hierin is ook als richtlijn in appellants situatie neergelegd dat minder dan 50 zaken onvoldoende is,

50-54 zaken matig en 55-59 zaken voldoende. In een brief van 18 juni 2014 heeft het bestuur appellant meegedeeld dat het verbetertraject wordt voortgezet en geïntensiveerd tot

1 oktober 2014. Omdat de OR sinds de algemene OR-verkiezing van het begin van het jaar een slapend bestaan heeft, hoeft appellant geen OR-werkzaamheden meer te verrichten en wordt de richtlijn voor de kwantiteit van zijn productie aangepast aan die van zijn collega’s. Daarom moet appellant in de periode 1 april 2014 tot 1 oktober 2014 35 zaken afgewikkeld hebben.

4.1.3.

Blijkens de gedingstukken is appellant, zoals het bestuur ter zitting ook heeft bevestigd, voor het eerst in de brief van 18 juni 2014 kenbaar gemaakt dat voor hem een jaarproductie van minimaal 70 in plaats van minimaal 50 zaken geldt. Het bestuur meent echter dat appellant al veel eerder kon weten dat voor hem dezelfde norm als voor zijn collega’s was gaan gelden. Omdat met hem was afgesproken dat de OR inmiddels een slapend bestaan had, was zijn situatie gelijk geworden aan die van zijn collega’s. Daarom gold in het beoordelingstijdvak een productie-eis van 35 zaken. De Raad kan het bestuur hierin niet volgen. Wanneer beoogd wordt over een bepaalde periode een beoordeling op te maken, moeten de normen waarop de ambtenaar beoordeeld zal worden vooraf duidelijk zijn. Omdat in dit geval de kwantiteit van de productie in deze (betrekkelijk korte) beoordelingsperiode op een voldoende niveau moest zijn gebracht behoorde de norm hierover dus in elk geval vooraf bij appellant bekend te zijn. De opmerkingen van de kant van het bestuur over het slapende bestaan van de OR, vóór 18 juni 2014, zijn blijkens de gedingstukken nimmer gepaard gegaan met de mededeling dat dit gevolgen had voor de productie-eis in het beoordelingstijdvak. Daar komt bij dat de desbetreffende opmerking in bijvoorbeeld het verslag van de overlegvergadering van 23 april 2014 niet (zonder meer) uitwijst dat appellant geen tijd meer mocht besteden aan de OR. Ook in de passages over het OR-werk in bijvoorbeeld de voortgangsgesprekken van 8 mei 2014 en 5 juni 2014 ontbreekt een signaal van de leidinggevende aan appellant dat hij dit werk niet meer behoort te doen en dat zijn

productie-eis is afgestemd op een volledige inzet voor het werk van [naam functie] . Dit is pas anders geworden in de brief van 18 juni 2014, zodat vanaf die datum een productie-eis van 70 zaken per jaar mocht gelden. Bij de beoordeling is dus ten onrechte uitgegaan van een productie van 35 zaken voor het gehele tijdvak.

4.1.4.

Het voorgaande betekent nog niet dat de onvoldoende score voor het gezichtspunt ‘werkwijze’ vanwege een onvoldoende productie in het beoordelingstijdvak op onvoldoende grond berust. De totale productie van appellant was 24 zaken. Bij een productie-eis van minimaal 50 zaken per jaar zou appellant met 24 zaken in de beoordelingsperiode ook onder de maat gebleven zijn. Omdat voor appellant over meer dan de helft van de periode de jaarnorm van 70 zaken gold, is zijn productie in het beoordelingstijdvak onmiskenbaar achtergebleven bij wat van hem verwacht mocht worden. De onvoldoende score voor ‘werkwijze’ kan dus stand houden. Appellant kan daarbij niet gevolgd worden in zijn zienswijze dat het vakantieverlof van drie weken in de tweede helft van de beoordelingsperiode van invloed moet zijn op het oordeel over zijn productie. Een vakantieperiode van een deel van het jaarlijkse vakantieverlof in een tijdvak van zes maanden kan niet ongebruikelijk genoemd worden. Daar komt bij dat appellant nog minder zaken had afgewerkt dan het voor hem aanvankelijk geldende uiterste minimum.

4.1.5.

De aangevallen uitspraak komt in zoverre, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.


Het ontslagbesluit
4.2. Het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslag wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken is door de rechtbank in stand gelaten. De beroepsgronden zijn toegespitst op het achterwege blijven van inspanningen om appellant te herplaatsen en op het tekortschieten van het verbetertraject.

4.2.1.

De beroepsgrond over de herplaatsingsinspanningen slaagt niet. Zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van 2 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2183, met juistheid heeft overwogen geldt in een geval als hier aan de orde dat de re-integratie pas na het ontslagbesluit aan de orde komt. Voorafgaand aan het ontslagbesluit hoefde het bestuur dus geen aandacht te besteden aan een eventuele herplaatsing van appellant in een andere functie.

4.2.2.

De Raad ziet geen grond om te oordelen dat appellant geen reële verbeterkans is geboden. Appellant heeft gedurende de gehele periode met grote regelmaat voortgangsgesprekken gehad met zijn leidinggevende. Tijdens deze gesprekken heeft zijn leidinggevende geïnformeerd naar zijn werksituatie en gevraagd wat hij nodig heeft om zijn productie te verbeteren. Appellant had aldus steeds de mogelijkheid om problemen in het werk aan de orde te stellen en om concrete voorstellen te doen ter verhoging van zijn productiviteit. Het lag op de weg van appellant om indien hij behoefte had aan een andere vorm van begeleiding, dit aan te geven, hetgeen hij niet heeft gedaan. Omdat de reden voor het verbetertraject gelegen was in zijn te lage productie valt niet in te zien dat, zoals appellant heeft aangevoerd, er vooraf door een professionele coach getest had moeten worden welke verbeterpunten noodzakelijk waren. Appellant heeft ook de mogelijkheid gekregen om een training perfectionisme te volgen, omdat hij zijn perfectionisme als oorzaak voor de lage productie zag. Dat appellant dit aanbod niet heeft aangenomen laat onverlet dat dit een onderdeel was van het verbetertraject. De omstandigheid dat het bestuur op een betrekkelijk laat moment de mogelijkheid van persoonlijke coaching aan de orde heeft gesteld en daarin stappen heeft gezet, heeft bij appellant mogelijk onduidelijkheid gecreëerd over de vraag of het bestuur hem langduriger kansen op verbetering beoogde te geven dan de beoordelingsperiode van 1 april 2014 tot 1 oktober 2014. In dat verband is ook minder gelukkig dat appellant mogelijkerwijs niet goed genoeg kenbaar is gemaakt welk belang er was bij de inzending van het volledige rapport van de quick scan. Dit neemt niet weg dat er met de onvoldoende beoordeling en het intensieve verbetertraject een voldoende grondslag is voor het ongeschiktheidsontslag en dat niet gezegd kan worden dat het bestuur niet van deze ontslagbevoegdheid gebruik mocht maken.

4.2.3.

Het bestreden besluit met betrekking tot het ontslagbesluit kan dus in rechte standhouden. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

Het re-integratieplan
4.3. De rechtbank heeft het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op het

re-integratieplan in stand gelaten. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij met werkzaamheden van een [naam functie] belast had kunnen en moeten worden omdat op de inhoud van zijn functievervulling geen kritiek bestond. De hem opgedragen werkzaamheden van een lager niveau waren niet passend.

4.3.1.

De Raad is niet tot een ander oordeel gekomen dan de rechtbank. Het bestuur heeft onweersproken gesteld dat de tekortschietende productie van appellant en de gevolgen daarvan voor de afdeling van invloed waren op de gang van zaken op de afdeling. Niet ten onrechte achtte het bestuur het ongewenst om een medewerker die wegens ongeschiktheid was ontslagen tijdens de re-integratie opnieuw met zijn eigen werkzaamheden te belasten. De omstandigheid dat het bezoldigingsniveau van de tijdelijke werkzaamheden twee schalen lager was dan het niveau van de functie van [naam functie] is op zichzelf geen grond om die werkzaamheden niet passend te achten. Het betoog van appellant slaagt dus niet.

4.3.2.

Het bestreden besluit inzake het re-integratieplan kan dus in rechte standhouden. De aangevallen uitspraak komt ook in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD