Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
15/5863 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar de LFNP-functie en formele wijziging functie. Onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling overgang naar een LFNP functie, zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten en dat de in de bijlage bij de Regeling opgenomen transponeringstabel, hoewel deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij appellant in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. De Raad verwijst kortheidshalve naar zijn uitspraken van (onder meer) 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:260, 21 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1524, en van 9 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2301.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5863 AW

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 augustus 2015, 14/2502 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 april 2016 heeft betrokkene zijn standpunt nader toegelicht.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Betrokkene was werkzaam bij de (voormalige) politieregio [naam regio] in de functie van [naam functie 1] (OT) bij de [divisie] , salarisschaal 7.

1.3.

Van 20 februari 2010 tot 1 maart 2012 is betrokkene belast geweest met de waarneming van de functie van [naam functie 2] . Betrokkene is verder van 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 op basis van detachering belast geweest met de waarneming van de functie van [functie 1] bij [functieplaats] . Ten slotte is betrokkene met ingang van

1 januari 2013 belast geweest met de waarneming van de functie van [functie 2] , met als referentiefunctie Senior [onderdeel] .

1.4.

Bij besluit van 24 oktober 2011 is de uitgangspositie van betrokkene voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) vastgesteld op de functie van [naam functie 3] , met als referentiefunctiebeschrijving [naam functie 3] . Bij de aanvullende besluiten uitgangspositie van 31 mei en 14 juni 2012 heeft appellant besloten de uitgangspositie van betrokkene aan te vullen met de voor hem op de peildatum van 31 december 2011 geldende specifieke werkzaamheden (taakaccent) [taakaccent] ’. Tegen deze besluiten heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5.1.

Op 16 december 2013 heeft appellant ten aanzien van betrokkene besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 4] gewaardeerd in salarisschaal 7 (overgangsbesluit).

1.5.2.

Daarnaast is in dit besluit, voor zover hier van belang, vastgesteld dat er na

31 december 2011 een formele wijziging is geweest, in die zin dat betrokkene vanaf 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 is belast geweest met de waarneming van de functie van [functie 1] , met als referentiefunctiebeschrijving [functie 1] . Als gevolg van die formele wijziging wordt de aan betrokkene toegekende LFNP-functie met ingang van 1 juli 2012 gewijzigd in de LFNP-functie van [functie 1] , met als vakgebied Docenten, gewaardeerd in salarisschaal 9 (wijzigingsbesluit).

1.6.

Bij besluit van 4 juli 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

16 december 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

2.2.

De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat betrokkene geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten tot vaststelling van zijn uitgangspositie en dat hij zodoende geen beroep meer kan doen op niet in zijn uitgangspositie vastgelegde ‘waarnemingswerkzaamheden’. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het aan haar voorgelegde geschil voor het overige (enkel) betrekking heeft op het wijzigingsbesluit. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het appellant niet vrij staat om de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) en de transponeringstabel analoog van toepassing te achten op wijzigingsbesluiten. Aangezien appellant zijn besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op de Regeling en de transponeringstabel en in het bestreden besluit inhoudelijk geen aandacht heeft besteed aan de (onderbouwing en de juistheid van de) omzetting van de (korps)functie van betrokkene naar een functie uit het LFNP, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit lijdt aan een gebrek en voor vernietiging in aanmerking komt. Nu de Regeling en de transponeringstabel niet op de onderhavige procedure van toepassing zijn, geldt niet het toetsingskader zoals geformuleerd in de onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015. Er moet worden aangeknoopt bij de vaste rechtspraak van de Raad inzake de inpassing van functies in een ander functiehuis. Ten aanzien van de door betrokkene per 1 januari 2013 uitgeoefende waarnemingstaak als [functie 2] heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat betrokkene formeel met deze (waarnemings)functie is belast geweest. Bij gebrek aan een formele aanstelling (blijkende uit bijvoorbeeld een waarnemingstoelage) kunnen de feitelijk door betrokkene verrichte werkzaamheden in de onderhavige procedure geen rol spelen. Nu niet is gebleken dat de inpassing van de korpsfunctie van betrokkene in de LFNP-functie van Generalist Observatie onhoudbaar is, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

3.1.

Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op de Regeling en de transponeringstabel en in het bestreden besluit inhoudelijk geen aandacht heeft besteed aan de (onderbouwing en de juistheid van de) omzetting van de functie van betrokkene naar een functie uit het LFNP, zodat het bestreden besluit in zoverre lijdt aan een gebrek.

3.2.

Betrokkene heeft de Raad bij brief van 11 april 2016 meegedeeld dat

betrokkene “om hem moverende redenen, het beroep met bovengenoemd zaaknummer [15/5863 AW] intrek[t].”.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat betrokkene er met de onder 3.2 weergegeven mededeling aan voorbijziet dat er niet een door hem ingesteld hoger beroep, maar een hoger beroep van appellant ter beoordeling staat. De stellingname van betrokkene in de brief van 11 april 2016 laat dus onverlet dat de Raad nog zal moeten beslissen op het voorliggende hoger beroep van appellant.

4.2.

In de onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft de Raad geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten en dat de in de bijlage bij de Regeling opgenomen transponeringstabel, hoewel deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij appellant in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende.

4.3.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant de Regeling en de transponeringstabel analoog heeft mogen toepassen op het onder 1.5.2 weergegeven wijzigingsbesluit. De Raad verwijst kortheidshalve naar zijn uitspraken van (onder meer)

21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:260, 21 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1524, en van 9 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2301. De overwegingen in deze uitspraken, waarbij de Raad blijft, zijn ook in dit geval van toepassing. Het betoog slaagt.

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

HD