Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
16/259 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar LFNP-functie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Beroep op hardheidsclausule faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/259 AW

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 december 2015, 14/3895 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Scheggetman hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. P.W. Kuijper, kantoorgenoot van mr. Scheggetman. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan en L.M. van den Hil.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is per 31 december 2009 vastgesteld op de functie van vakspecialist [specialisme] en vanaf 30 oktober 2010 op de functie van [functie 1] - docent [specifieke taken] .

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 2] , met als vakgebied [vakgebied] , gewaardeerd in salarisschaal 8. Bij besluit van 28 juli 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de juistheid van die uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de Raad in zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten en dat de transponeringstabel, hoewel deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden om daarover thans anders te oordelen.

4.2.

Appellant heeft allereerst betoogd dat de korpschef bij de keuze voor het domein [domein 1] in strijd heeft gehandeld met artikel 3, vierde lid, van de Regeling, nu de korpschef ten onrechte niet de door de Regeling voorgeschreven volgorde heeft gehanteerd, waarbij eerst het meest vergelijkbare domein dient te worden bepaald en vervolgens pas het meest vergelijkbare vakgebied. Appellant heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 mei 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:4736. De rechtsvragen die met dit betoog worden opgeworpen, heeft de Raad reeds beantwoord in zijn uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2710. De overwegingen in deze uitspraak, waarbij de Raad blijft, zijn ook in dit geval van toepassing, zodat het betoog reeds hierom faalt.

4.3.1.

Appellant heeft voorts betoogd dat het resultaat van de matching onhoudbaar is te achten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat wat betreft zijn (korps)functie niet het domein [domein 1] het meest vergelijkbaar is, maar het domein [domein 2]. Appellant traint als ‘[functie 3]’ (toekomstige) executieve politieambtenaren. Hij geeft weliswaar les, maar het gaat daarbij om lessen in de praktijk waarbij operationele taken worden verricht in gevaarvolle situaties met alle risico’s van dien.

4.3.2.

Uit de korpsfunctiebeschrijving alsmede het daarbij behorende inlegvel 99.541.3 volgt dat de nadruk in de functie van [functie 1] - docent [specifieke taken] ligt op informatiebewerking ter [domein 1] van primaire en/of secundaire processen binnen de organisatie alsmede kennisbeheer en kennisoverdracht met betrekking tot specifieke wetgeving en handhaving daarvan en met betrekking tot operationele informatie vanuit functiesenioriteit of op basis van specifieke vakkennis. Kennisvergaring, kennisoverdracht en/of het bijbrengen van vaardigheden vormen aldus een wezenlijk onderdeel van de functie. Voor zover de feitelijke situatie zou afwijken van de beschrijving van de korpsfunctie, geldt dat de functiebeschrijving leidend is bij de matching en dat het voor rekening en risico van appellant komt dat hij heeft berust in zijn uitgangspositie. Het voorgaande in aanmerking genomen, acht de Raad de keuze voor het domein [domein 1] niet onjuist (vergelijk de al genoemde uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2710).

4.4.

In aanmerking genomen dat het hoofdbestanddeel van de korpsfunctie van appellant bestaat uit kennisvergaring, kennisoverdracht en/of het bijbrengen van vaardigheden, heeft de korpschef op goede gronden de LFNP-functie van [functie 2] , met als vakgebied [vakgebied] , aan appellant toegekend.

4.5.

De conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. De enkele stelling dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende voor de conclusie dat het resultaat van de matching (anderszins) onhoudbaar is te achten. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals door appellant gesteld, is dan ook geen sprake.

4.6.1.

Appellant heeft voorts betoogd dat zijn beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling ten onrechte is verworpen. Hij heeft in dit verband, naast de in bezwaar en beroep aangevoerde omstandigheden, naar voren gebracht dat hij in het kader van de reorganisatie in 2010 bij de totstandkoming van het Shared Service Centrum Noord-Nederland de functie van [functie 4] heeft geaccepteerd. Daarmee is voorkomen dat een collega van appellant overtollig zou worden. Appellant is van mening dat hij in het kader van de matching van deze gang van zaken de dupe wordt en vindt het onbillijk om met dit gegeven geen rekening te houden.

4.6.2.

Dit betoog faalt. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie in de zin van deze bepaling. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.6.3.

Dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie is bovendien inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht en is ook verklaarbaar uit het gegeven dat de werkzaamheden binnen verschillende politieregio’s worden ondergebracht in één nieuw landelijk functiegebouw. Voor zover appellant zich beroept op een verschraling van zijn taken en verantwoordelijkheden leidt dit niet tot een ander oordeel. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling. De Raad verwijst naar de meergenoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550.

4.6.4.

Het betoog van appellant dat hij financieel nadeel lijdt nu hij als gevolg van het bestreden besluit periodieken voor Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) misloopt, treft evenmin doel. De toekenning van OVW-periodieken heeft betrekking op de waardering van de LFNP-functie. Deze waarderingskwestie speelt echter geen rol in het kader van de toekenning van en overgang naar een functie uit het LFNP. De omstandigheid dat aan de LFNP-functie niet het door appellant gewenste aantal OVW-punten is toegekend, kan dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule.

4.6.5.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat hij in 2010 het korps ter wille is geweest door een functie als [specifieke taken] te aanvaarden heeft geleid tot een wijziging van zijn uitgangspositie. Daarin heeft appellant berust. De hardheidsclausule is niet bedoeld om die uitgangspositie te corrigeren.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C. Moustaïne

JL