Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/4869 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn als bewijs ontoelaatbaar. Vaste rechtspraak. Onderzoek verricht door [naam 1] en [naam 2]. Het is de Raad ambtshalve bekend dat deze twee controleurs ten tijde van het onderzoek niet werkzaam waren bij [BV] , maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet voor het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 waren aangewezen. Besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4869 WSF

Datum uitspraak:15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
29 mei 2015, 15/1200 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Glas. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 31 juli 2013, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 14 januari 2015 (bestreden besluit), heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd. Aan deze besluitvorming heeft de minister ten grondslag gelegd een rapport waarin de bevindingen zijn neergelegd van een op 11 februari 2013 verricht onderzoek naar de woonsituatie van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen. Bij besluit van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, zijn voor dit toezicht aangewezen – onder meer – personen werkzaam bij [BV]

4.2.

In zijn uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2, heeft de Raad geoordeeld dat onder deze aanwijzing niet ook personen vallen die werkzaam zijn bij de werkmaatschappijen van [BV]

4.3.

Het onder 1 vermelde onderzoek is verricht door [naam 1] en [naam 2] . Het is de Raad ambtshalve bekend dat deze twee controleurs ten tijde van het onderzoek niet werkzaam waren bij [BV] , maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet voor het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 waren aangewezen.

4.4.

Nu genoemde controleurs ook niet uit anderen hoofde bevoegd waren tot het houden van dat toezicht, is het door hen bij het onderzoek verzamelde bewijs onrechtmatig verkregen en moet dat bewijs, zoals ook volgt uit de onder 4.2 genoemde uitspraak, worden uitgesloten.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de basisregistratie personen, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

4.6.

Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 31 juli 2013 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Er is aanleiding om de minister te veroordelen in de (proces)kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in bezwaar, op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 14 januari 2015;

  • -

    herroept het besluit van 31 juli 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 januari 2015;

  • -

    veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 168,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM