Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/8074 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een nabestaandenuitkering in de zin van de ANW, omdat hij ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote niet voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was. Niet gebleken dat bij de verzekeringskundige beoordeling in onvoldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen. Appellant was in medisch opzicht ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote geschikt de aan de schatting ten grondslag liggende functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8074 ANW

Datum uitspraak: 3 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 november 2015, 15/3441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.E. Jacobs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2016. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Jacobs. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De Svb heeft een nader stuk ingezonden. Namens appellant is hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 4 oktober 2014 een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend bij de Svb, naar aanleiding van het overlijden van zijn echtgenote op 1 juli 2012. Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Het Uwv heeft de Svb bij brief van 18 december 2014 geadviseerd appellant niet als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW aan te merken.

1.2.

Bij besluit van 29 december 2014 heeft de Svb geweigerd appellant een nabestaandenuitkering toe te kennen, omdat hij niet voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 29 december 2014 gemaakte bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gerapporteerd.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 24 juni 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 29 december 2014 ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding daarvan heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een nader rapport van 24 augustus 2015 uitgebracht. Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanvullend gerapporteerd op 25 augustus 2015.

2.2.

De rechtbank heeft de Svb verzocht het Uwv de vraag voor te leggen of bij appellant sprake is van een paniekstoornis met een niet-geïsoleerde agorafobie en waarom die stoornis voor de belasting van appellant niet problematisch is bij de uitvoering van werk in een grote hal of een grote open productieruimte. In een rapport van 18 september 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dit verzoek voldaan.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is verwezen naar de aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

24 augustus 2015 en 18 september 2015.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat ten gevolge van de paniekstoornis met agorafobie, de verminderde aandacht en concentratie en de artrose in de pols. Verder is gesteld dat een verdergaande urenbeperking zou moeten worden aangenomen. Tot slot is aangevoerd dat de geduide functies medisch niet geschikt zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een nabestaandenuitkering in de zin van de ANW, omdat hij ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote op of omstreeks 1 juli 2012 niet voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde en wiens arbeidsongeschiktheid na die dag ten minste drie maanden voortduurt recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

4.3.

Dit artikel luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.4.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.5

Appellant is op 12 november 2014 gezien door de verzekeringsarts van het Uwv. Deze heeft aanleiding gezien om informatie op te vragen bij de behandelaars van appellant. Op

16 december 2014 heeft de verzekeringsarts nader gerapporteerd, waarbij informatie is betrokken van de psychotherapeut van 20 oktober 2014 en van de huisarts van

25 november 2014. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant last heeft van paniekaanvallen en niet tegen drukte kan. Verder kan appellant niet goed slapen en is zijn eetlust niet goed. De verzekeringsarts heeft het aannemelijk geacht dat appellant vanwege zijn psychische aandoening beperkt is in zijn belastbaarheid, met name op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor ernstige afwijkingen, zoals ernstige concentratieproblemen of kenmerken die passen bij een ernstige psychische aandoening. Uit preventief medisch oogpunt heeft de verzekeringsarts een urenbeperking in lichte mate aangenomen. Wat betreft de polsklachten werden bij onderzoek geen ernstige afwijkingen vastgesteld. Wel werd appellant beperkt geacht ten aanzien van het hanteren van frequent zware lasten aangeven. De verzekeringsarts heeft deze bevindingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 december 2014.

4.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van het dossier en van hetgeen in bezwaar op medisch gebied naar voren is gebracht. Daarbij is informatie betrokken van een psycholoog van het Centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg (NOAGG) van 6 mei 2015, van de huisarts van 23 maart 2015 en van de neuroloog van

9 april 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen aanleiding de belastbaarheid van appellant anders in te schatten dan dat de verzekeringsarts heeft gedaan.

4.7.

Naar aanleiding van het ingestelde beroep heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een aanvullend rapport van 24 augustus 2015 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om bij appellant verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van concentratie en aandacht. Wat betreft de urenbeperking van tien uren per week is overwogen dat, gezien de standaard verminderde arbeidsduur, een verdergaande urenbeperking niet is geïndiceerd. In het bijzonder is daarbij in aanmerking genomen dat appellant zijn psychische behandeling kan ondergaan in de tien uren die beperkt zijn en dat de thuiszorg geen indicatie is om een urenbeperking aan te nemen. Het medicijngebruik van appellant geeft evenmin aanleiding tot verdergaande beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder vastgesteld dat de klachten van appellant zijn te duiden als een paniekstoornis met agorafobie. Appellant krijgt op wisselende momenten paniekaanvallen, hartkloppingen en ademhalingsproblemen en kan daarvoor volgens de verzekeringsarts niet in een drukke ruimte verblijven en moet dan naar buiten kunnen om rustig te blijven. Appellant leidt niet dusdanig aan agorafobie dat ten aanzien daarvan nadere beperkingen moeten worden aangenomen. Wat betreft de slijtage aan de rechterpols is overwogen dat daarmee rekening is gehouden in de FML.

4.8.

In het nadere rapport van 18 september 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nogmaals vastgesteld dat bij appellant sprake is van een paniekstoornis met agorafobie. Volgens deze arts nemen deze klachten weliswaar toe, maar is de toename van ná datum in geding. Bij de recent vastgestelde gediagnosticeerde paniekstoornis is er wel een beperking voor een continu bewegende grote mensenmassa, zoals in een supermarkt of een stationshal. Dit komt echter in een grote hal of grote productieruimte niet voor, waardoor appellant geschikt werd bevonden voor de geduide functies. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep waren de klachten met betrekking tot de paniekstoornis met agorafobie bij appellant op of omstreeks 1 juli 2012 niet dusdanig ernstig dat beperkingen hoefden te worden aangenomen.

4.9.

Op verzoek van de Raad heeft de Svb het Uwv om een nadere toelichting verzocht op de vraag of voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellant, die toentertijd werden gediagnostiseerd als een paniekstoornis met agorafobie. Daarbij werd opgemerkt dat het in de rede zou liggen contact op te nemen met de behandeld sector die appellant in 2014 heeft behandeld.

4.10.

Aan dit verzoek is voldaan door inzending van het rapport van 19 december 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat de informatie van de behandelaar van appellant in 2014 in het dossier zit en dat een nadere vraagstelling naar verwachting geen nieuwe gegevens zal opleveren. Verder wordt vastgesteld dat ten aanzien van de datum in geding, 1 juli 2012, geen medische gegevens bekend zijn, nu appellant zich pas in september 2014 bij de huisarts heeft gemeld. Uit de onder 4.5 genoemde brieven van de huisarts en de psychotherapeut leidt de verzekeringsarts bezwaar en beroep af, dat de psychische klachten van appellant zijn ontstaan na het overlijden van zijn echtgenote. Er zijn geen gegevens bekend uit 2012 of daarvoor, waaruit blijkt dat appellant op of omstreeks 1 juli 2012 al psychische klachten had. Gelet op de gegevens concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen objectiveerbare gegevens zijn die erop wijzen dat appellant al psychische klachten had ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote.

4.11.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat bij de verzekeringskundige beoordeling in onvoldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de belastbaarheid op of omstreeks 1 juli 2012 niet overschat in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapporten van 24 augustus 2015,

18 september 2015 en 19 december 2016 voldoende inzichtelijk en concludent gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat meer beperkingen aan te nemen op of omstreeks datum in geding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant geen medische objectieve gegevens heeft aangedragen waaruit blijkt dat hij ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote reeds psychische klachten had.

4.12.

In hetgeen appellant in de nadere brief van 6 februari 2017 heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor een ander oordeel. De omstandigheid dat er geen gegevens uit de periode van rond juli 2012 beschikbaar zijn, komt voor risico van appellant. Appellant heeft immers zijn aanvraag ruim twee jaar na de datum in geding ingediend.

4.13.

Uit de in hoger beroep ingezonden medische stukken van NOAGG van 11 februari 2015 en van 6 mei 2015 en van Altrecht van 13 januari 2016 kan weliswaar worden afgeleid dat de psychische toestand van appellant is verslechterd, maar deze verslechtering is van ná datum in geding. Om die reden kunnen voornoemde stukken bij de medische beoordeling geen rol spelen.

4.14.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de FML, wordt met de Svb aangenomen dat appellant in medisch opzicht ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote geschikt was de aan de schatting ten grondslag liggende functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), productiemedewerker machinaal inpakken (SBC-code 111175) en productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172) te vervullen. De arbeidsdeskundigen van het Uwv hebben in hun rapporten, met name in het rapport van 25 augustus 2015, inzichtelijk gesignaleerd waarom deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

4.15.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.14 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2017.

(getekend) L. Koper

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

KP