Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/2355 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering van de norm voor een uitwonende studerende naar de norm voor een thuiswonende studerende. Boete. Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn als bewijs ontoelaatbaar. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet woont op het brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2355 WSF

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
19 maart 2015, 14/5168 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. Ç. Bayrak, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bayrak.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, betrokkene met ingang van 1 februari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 10 maart 2014 hebben twee controleurs in opdracht van appellant onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in rapporten gedateerd 10 maart 2014 en 11 maart 2014.

1.3.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, op basis van die rapporten, bij besluit van 11 april 2014 de aan betrokkene toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat betrokkene vanaf 1 februari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Voorts heeft appellant bij besluit van 16 mei 2014 een bestuurlijke boete aan betrokkene opgelegd.

1.4.

Bij besluit van 8 juli 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 11 april 2014 en 16 mei 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de besluiten van 11 april 2014 en 16 mei 2014 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de rapporten van 10 maart 2014 en
11 maart 2014 geen voldoende feitelijke grondslag voor de herziening van de aan betrokkene toegekende studiefinanciering en de bestuurlijke boete die aan haar is opgelegd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen. Bij besluit van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, zijn voor dit toezicht aangewezen – onder meer – personen werkzaam bij [BV]

4.2.

In zijn uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2, heeft de Raad geoordeeld dat onder deze aanwijzing niet ook personen vallen die werkzaam zijn bij de werkmaatschappijen van [BV]

4.3.

Het onder 1.2 vermelde onderzoek is verricht door [naam 1] en [naam 2] . Het is de Raad ambtshalve bekend dat deze twee controleurs ten tijde van het onderzoek niet werkzaam waren bij [BV] , maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet voor het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 waren aangewezen.

4.4.

Nu genoemde controleurs ook niet uit andere hoofde bevoegd waren tot het houden van dat toezicht, is het door hen bij het onderzoek verzamelde bewijs onrechtmatig verkregen en moet dat bewijs, zoals ook volgt uit de onder 4.2 genoemde uitspraak, worden uitgesloten.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet woont op het adres waaronder zij staat ingeschreven in de basisregistratie personen, berusten het bestreden besluit en de besluiten van 11 april 2014 en 16 mei 2014 niet op een deugdelijke motivering. Gelet op het tijdsverloop is het niet aannemelijk dat dit gebrek in de besluitvorming kan worden hersteld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met een verbetering van de gronden waarop zij rust.

5. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 497,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM