Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
16/3682 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onterechte afwijzing aanvraag studiefaciliteiten . Uitleg artikel 7 Regeling studiefaciliteiten politie met betrekking tot "niet-functiegerichte opleiding".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3682 AW

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 april 2016, 15/3768 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [X.] een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht. Namens betrokkene heeft Vreeswijk nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Wensen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [X.].

Betrokkene heeft ter zitting het incidenteel hoger beroep, met zaaknummer 16/5101 AW, ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, werkzaam bij de politie als Coördinator HRD, heeft op 3 september 2014 een aanvraag om studiefaciliteiten ingediend voor de studie Vrije masteropleiding Rechtsgeleerdheid, variant Recht, arbeid en organisatie, aan de Open Universiteit.

1.2.

Bij besluit van 22 januari 2015 heeft appellant deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft appellant bij besluit van 21 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat deze opleiding voor betrokkene niet als functiegericht dan wel loopbaangericht is aan te merken. Omdat de organisatie er geen belang bij heeft dat betrokkene deze opleiding volgt, is de opleiding evenmin te kwalificeren als niet-functiegerichte opleiding. Op deze gronden is er geen aanleiding betrokkene studiefaciliteiten toe te kennen op grond van de Regeling studiefaciliteiten politie (Regeling).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 22 januari 2015 herroepen, bepaald dat appellant aan betrokkene studiefaciliteiten toekent op de voet van artikel 7 van de Regeling en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de opleiding van betrokkene wel is aan te merken als niet-functiegericht als bedoeld in artikel 7 van de Regeling. De bewoordingen van dat artikel laten geen ruimte om een aanvraag te toetsen aan het belang van de organisatie. Het artikel schrijft dwingend voor dat op aanvraag studiekosten worden toegekend voor het volgen van een niet-functiegerichte opleiding.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 7 van de Regeling het bevoegd gezag geen ruimte laat om een aanvraag als bedoeld in dit artikel aan het belang van de organisatie te toetsen. Alleen dit punt is nog in geschil tussen partijen.

3.2.1.

Op grond van artikel 58, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie kan het bevoegd gezag studiefaciliteiten toekennen voor opleidingen die niet functiegericht zijn of voor opleidingen die zijn gericht op een functie buiten de politieorganisatie. Op grond van het vierde lid stelt de minister nadere regels vast met betrekking tot het derde lid. De nadere regels zijn opgenomen in de Regeling.

3.2.2.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van de Regeling wordt onder een niet-functiegerichte opleiding verstaan een opleiding die niet functie- of loopbaangericht is, maar toch in enige mate in het belang is van zowel de politie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012 als de ambtenaar.

3.2.3.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Regeling kent het bevoegd gezag aan de ambtenaar die een niet-functiegerichte opleiding volgt, op zijn aanvraag toe:

a. een vergoeding van de reis- en verblijfkosten op basis van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie, waarbij de reis van en naar de onderwijsinstelling wordt aangemerkt als woon-werkverkeer;

b. een vergoeding van 50% van de studiekosten op declaratiebasis tot een maximum van € 1.000,- per kalenderjaar.

3.3.

Bij de toepassing van artikel 7 van de Regeling dient voor de uitleg van de term

‘niet-functiegerichte opleiding’ uitgegaan te worden van de definitie van die term in artikel 1 van de Regeling. Blijkens die definitie geldt voor een niet-functiegerichte opleiding het vereiste dat deze opleiding in enige mate in het belang is van de politie. Dit betekent dat de korpschef bij zijn beslissing over een aanvraag voor studiefaciliteiten dient te beoordelen of en zo ja, in welke mate de politie belang heeft bij het volgen van de opleiding waarvoor de politieambtenaar studiefaciliteiten heeft aangevraagd. Overigens blijkt uit de toelichting bij artikel 7 van de Regeling (Staatscourant 2009, nr. 85) dat dit precies is wat de minister voor ogen stond bij het opstellen van de Regeling:
“Dit artikel regelt dat ook andere opleidingen dan functiegerichte en loopbaangerichte opleidingen voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daarbij geldt dat de aanvraag door het bevoegd gezag wordt beoordeeld in het licht van het dienstbelang. Het kan bijvoorbeeld gaan om een opleiding in het kader van algemene ontwikkeling, of om een opleiding die gericht is op een door de ambtenaar geambieerde functie buiten de politieorganisatie. Er moet daarbij wel altijd sprake zijn van enig belang voor de organisatie, anders worden er geen studiefaciliteiten toegekend.”
Het oordeel van de rechtbank dat de bewoordingen van artikel 7 van de Regeling appellant geen ruimte laten om een aanvraag als bedoeld in dat artikel te toetsen aan het belang van de organisatie, is dus onjuist. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt.

3.4.

Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat, indien de Raad tot het oordeel komt dat de rechtbank artikel 7 van de Regeling onjuist heeft uitgelegd en appellant bij de toepassing van dat artikel aanvragen wel dient te toetsen aan het belang van de organisatie, zij inmiddels niet meer van mening verschillen over de uitkomst van de te maken belangenafweging en de vergoeding van proceskosten in beroep, zodat de Raad zich daarover niet behoeft uit te laten. De Raad zal daarom in deze omstandigheden volstaan met vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en H.C.P. Venema en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S.A. de Graaff

HD